Wie verre reizen maakt… 24, Haeinsa en dan, 22 september

 

24, Haeisan en dan.....jpg

Vandaag heb ik denk ik alle verkeersregels overtreden die ze hier hebben. Dat kwam zo. Was het gisteren regen, vandaag straalde de zon tot 27 graden de hele dag door. Mooi weer voor het ritje door de bergen naar het westen. Haeinsa, weer een Unesco werelderfgoedplek, stond op het programma. Om half twaalf was ik al aardig in de buurt, maar voor ik de juiste parkeerplaats had, was ik een half uurtje vragen verder. Ik had ook niet verwacht dat de tempel dezelfde oprit had als het tempelvormig winkelcentrum aan de weg. Een aantal jonge mannen had dezelfde fout gemaakt als ik, maar gelukkig spraken zij wel Koreaans en reden ze mij netjes voor naar de juiste plek. Dan nog een halve kilometer de berg op. Haeinsa staat al zo’n twaalfhonderd jaar en bewaart de Triptana Koreana, de op 80.000 houtblokken geschreven geschiedenis van het land tot aan het begin van die tempel. Overigens de tweede set die hier staat, de eerste werd verbrand bij een vijandige aanval kort na vervaardiging. Ook is het een plek waar je een dagje met de monniken en nonnen mee kan lopen, buigen, mediteren.

Borden leggen uit dat je door drie poorten gaat voor je het tempelterrein zelf betreedt en dat dat 33 treden nodig heeft, evenveel als stappen naar verlichting. Bij de derde poort sta je dan in het Nirvana. In dit geval vormgegeven door een infobureau rechts, een souvenirwinkeltje links en een book/gallery/coffee plek tegenover je. Rechts zijn de gebouwen voor de tijdelijke tempeliers, de rest van het benedendeel is dan gevuld met verschillende tempels. Prachtige, soms met mooi bestorven kleuren, de houten en zeer vergulde Boeddha’s hebben veel overleefd de afgelopen eeuwen. Ik ga na een kopje citroenthee en een taartje de eerste tempel binnen en zit daar een kwartiertje te genieten van de omgeving, de rust en da andere bezoekers, variërend van de non van dienst, via tijdelijke bezoekers, tot Koreaanse families. Een dame verontschuldigt zich uitvoerig, ze had mij de verkeerde weg gewezen, realiseerde ze zich toen ik al weg was.

Dan door naar het hoogste niveau, de Tripitana. Die wordt bewaard in een aantal gebouwen met lemen wanden en vloeren, ongeverfde houten dragers, balken en kozijnen met houten latten. Er in mag je niet en er staan opvallend veel brandblussers. Als je hier en daar naar binnen gluurt kun je de houtblokken, zo’n 25 cm hoog en dubbel zo breed, keurig genummerd als boeken in het gelid zien staan. Het leem en de latjes houden de temperatuur en vochtigheid goed, al eeuwen. Ergens staat een voorbeeld achter glas, de sutra die het bevat ligt er uitgeprint naast. Niet te koop helaas. Als ik na alles bekeken te hebben al bijna weer weg ben, al die 33 treden weer terug naar beneden gelopen, krijg ik een telefoontje. Mijn vrienden staan op het binnenplein, via de zijdeur binnengekomen, zij blijven een dagje bij de monniken. Even later arriveert ook het bruidspaar en zeggen we allemaal nog een keer hallo en tot ziens. Dan ga ik echt weg, Hoe aantrekkelijk de omgeving met zijn prachtige oude bomen en zijn ratelende spechten ook uitlokt tot een wandeling. Ik heb nog maar weinig dagen te gaan, en ik wil toch naar Busan, hoewel ik weet dat het weer een radeloze rit door een veel te grote en volle stad wordt waar weinig moois aan is. Toch ga ik want Tonggak wacht. Het eerste stuk naar het zuiden rijd ik omringd door de bergen; zwartgroen tot grijsblauw begeleiden ze mij op mijn weg omlaag. Na een uur zit ik al weer in het zaterdagverkeer rond Busan. Maar ook dan leer je een land kennen, wellicht meer dan door al die toeristische hoogstandjes. Ik rijd langs het eerste verkeersongeval. Takelwagens staan al klaar, politie ontbreekt en het verkeer regelt zich met minimale vertraging keurig zelf. In Busan rijd ik af en toe op een verhoogde snelweg, die onder mij een laag heeft, en boven mij nog twee. Af en toe kijk ik zo op de daken van de zeer hoge, slanke woontorens waar deze stad en dit land vol mee staan. Af en toe ben ik te laat of aarzel ik wat te doen, je wordt er altijd tussen gelaten. Maar mijn gestelde doel haal ik niet, het wordt donker, het is druk, ik mis een keer een afslag en moet dan twee tunnels door. Ik geef het op, rijd de tunnels weer 10 km terug, ga van de snelweg af, zie de gouden McDonalds tekens, stop, eet een burger omdat ik geen idee heb waar ik ben. Dan even wat op het wereldwijde web en ik weet: morgen ben ik binnen een paar minuten op mijn bestemming, ik heb een hotel al even dichtbij, en ik blijk aan de rand van een drukke winkelwijk te zitten waar de zaterdagavond is losgebarsten. Zo komt het altijd weer goed uiteindelijk. Maar wat ben ik blij met mijn wifi-ei!

Wie verre reizen maakt…. 23, Daegu, 21 september

IMG_0206

Wat een druilerig regentje was toen ik vertrok, waren pijpenstelen toen ik op mijn eerste bestemming aankwam. Weer met een kleine omweg want het blijft lastig het adres zo in te voeren, dat Kaarten, Google Maps of mijn navigatiesysteem weet waar ik heen wil. Dat is vandaag een bronswaren museum. Een schenking van een grote bronsmeester staat daar centraal; het hele maakproces van de voorwerpen die hier al eeuwen heel kundig worden gemaakt, wordt zeer educatief uitgelegd. Zelfs voor mij te snappen, en voor die vier klassen kleintjes die er ook zijn en mij allemaal gedag zeggen. Een jongetje zit op zijn hurkjes om een hoekje naar mij te kijken, in plaats van op de juf te letten.

Hier in Korea werd en wordt dat brons gebruikt voor de vele kommen, schalen en bakjes die er nodig zijn bij een beetje goede maaltijd. Vooral bij feest-, treur- en offermalen heb je er heel wat nodig; en dan nog de stokjes, keteltjes voor de thee, en de bladen en blaadjes om een en ander op te zetten. Wil je zo’n set aanschaffen dan ben je vele duizenden euro’s verder voor een goede kwaliteit. Ik houd het bij één schaaltje, kies voor de lichtste, die ook nog eens van de  betere meester blijkt te zijn volgens de verkoper. Die het weten kan, want hij staat met hem op de foto. Het zal vast goed staan op het haardplateau straks. Dan even in gesprek met de dames van het museum over hoe nu verder. Ben ik met de auto: dan moet ik beslist nog even naar die bewuste tempel. Daarna wil men dan graag weten waar ik vandaan kom en wat hier doe, zo alleen. Ik heb over die tempel nu drie verschillende info’s, dus ik weet niet zeker of ik geweest ben waar zij bedoelde dat ik aankwam. Maar in ieder geval liep ik in mijn GGR (grote gele regenjas) in de regen de berg op, anderhalve kilometer.  Die mooie dennenbomen zijn er ook, ik loop langs moestuinen met kalebassen en windes, zie vogeltjes die ik thuis niet zie. Af en toe passeert mij een auto (had ik toch omhoog kunnen rijden, sukkel). In het bos ook tombes, veel lager dan die van gisteren, een meter hoog ongeveer, en bedekt met dennennaalden. Aardig kledderig kom ik boven en vraag nog even na met een kaartje, waar ik precies ben aan de drie mensen die er zijn. Het zijn namelijk maar heel kleine gebouwtjes waar ik terecht ben gekomen, al zie ik aan de begroeide daken dat ze al even meegaan. Volgens een van de heren in het gezelschap zijn ze erg belangrijk, en een van de tempeltjes heb ik voor mij zelf. Rustig even zitten, rondkijken, wat foto’s maken.

Dan me weer inpakken voor de terugweg. Terwijl ik voor de tempel moed verzamel zie ik dat ik wordt vastgelegd, ze blijven het vreemd vinden zo’n westers mens in haar eentje. Terug weer berg af, met de auto verder, naar het nationaal museum. Weer gratis, weer goed, met meer textiel dit keer dan goud. Erg leuk na het huwelijk vorige week, omdat er dan weer een en ander duidelijk wordt en er voorbeelden van vroeger en nu te zien zijn. Dan doe ik moeite uit te vinden waar toch dat geneeskrachtige kruiden museum is, waar de Lonely Planet zo hoog over op geeft. De mensen zijn aardig, ze blijven helpen zoeken en als het is gevonden, na er twee mensen bij te hebben geroepen, wordt een detailkaartje voor me uitgeprint en rijd ik in het inmiddels drukke namiddagverkeer de stad weer door. Dat kruidenmuseum is zeker interessant als je geïnteresseerd bent in de theorie achter yin en yang, de vijf elementen en de andere grondslagen voor deze natuurgeneeswijze. De grappige filmpjes zijn ook in het Engels, dus is het ook voor mij enigszins te volgen. Je kunt nog gratis je bloeddruk meten, er zijn massagestoelen, je kunt een programma volgen en in de shop is er voornamelijk rode ginseng, goed tegen alles, zegt men. In de omgeving heel wat winkels die in grote zakken allerlei getoonde zaken verkopen, inclusief schildpadschild, gemalen beestenbotten etc. Ik kijk en koop niets, en ga in de omliggende wijk op zoek naar iets te eten. Ik kies voor kip sous-vide. Op een groot plat bord krijg ik boven een brandertje een borrelend hete hele kip met groente en uitjes, die nog even voor me in handige stukken wordt getrokken. Met een tang en een vork is hij soldaat voor je het weet. Dan wandel ik terug naar mijn geparkeerde auto, kijk rond in het te dure warenhuis waar mijn auto geparkeerd staat, vijf verdiepingen onder de grond. Vooral de beddenafdeling is interessant. Je kunt hier bedden kopen met een verwarmde bodem van steen, een moderne versie van de oude woningen die hier ook vloerverwarming hadden. En die Koreaanse dunne dekbedjes hebben ze ook in allerlei fraaie patronen. Verder is het westers wat de klok slaat. Phillips en Villeroy & Boch zijn ook vertegenwoordigd. Ik zoek mijn hotel op, een zusje van dat in Gangneum. En inderdaad, bed weer heerlijk zacht, Engelstalige tv en een heel erg lekker warm bad. Ik kan er mogen weer tegenaan.

Wie verre reizen maakt…. 22, Ontmoetingen, 20 september

IMG_0187

Fris en fruitig er uit vandaag, ik was ruim voor negen uur bij het museum. Dat ging overigens pas om tien uur open, 9 uur was voor het buitenterrein. Het regende, de vriendelijke jongeman die het hek openschoof, begeleidde me met zijn paraplu naar de grote bronzen klok op het terrein. Die klok mag je niet aanraken, maar ze hebben een bandje dat regelmatig zijn mooie stem laat horen. Nadat ik alle buitenzaken had bekeken en op een bankje zat te wachten kwam diezelfde jongeman me waarschuwen: ze gingen ook binnen open. Zo was ik, ondanks de massa mensen die inmiddels stond te wachten, toch de eerste die naar binnen mocht. Zonder kaartje, want het museum is gratis. Een miljoen bezoekers per jaar ontvangt men hier. Even later werden we overspoeld door grote groepen scholieren. Rustig in een museum rondlopen is er hier niet bij, de docent roept gewoon iets harder om zijn verhaal te vertellen. Gewapend met vragenlijsten stormen ze door de zalen, dus  ze zijn zo weer voorbij en ’s middags zijn ze er niet. Op een gegeven moment werd mijn naam geroepen. De kans dat dat je overkomt in een land waar je nooit bent geweest en waarvan je de taal niet kent is klein, maar niet nul. Het bruidspaar op huwelijksreis, dat links om gaat waar ik rechts om reis, kwam ook een kijkje nemen. We hadden al een lunchafspraak. In het eerste gebouw vele vondsten uit de tombes die hier midden in en om de stad liggen. De tombes zijn nooit leeggeroofd, ze werden begin vorige eeuw per toeval ontdekt als inhoud bevattend door iemand die zijn huisje op vlakke grond wilde zetten. De schatten die men in de koningsgraven tegenkomt zijn oogverblindend.  Allemaal weer prachtig tentoongesteld. Gyeongju noemt zich de City of Gold, de koningen uit de tombes hingen er vol mee. Mooie presentaties geven aan hoe alles werd gedragen, in een tombe verderop ligt een hele set zoals het werd aangetroffen. Voor de prachtige details zijn er weer touchscreens. In het andere gebouw de bodemvondsten uit de vijver van een paleiscomplex uit 650 . De bodem, fijne slik, heeft ook hout en bot mooi bewaard, en veel gebruiksvoorwerpen waren voorzien van een naam of een datering, dus van grote waarde voor de archeologen die hier nog steeds aan het werk zijn. Dit hele gebied ligt vol met tombes, tempels en paleisrestanten. Veel moet nog ontdekt. Als ik het park van de tumuli inloop, word ik aangeroepen terwijl ik probeer uit te vinden welke richting de beste is. Ik denk een richtingsaanwijzing te krijgen, maar ik krijg van een aardige Koreaans stel een gele regenjas. De man wijst naar zijn vrouw, zij rent op mij af, haar vriendin houdt de paraplu boven mijn hoofd, want “it is raining”. Dat kan ik niet ontkennen. Ik bedank hartelijk, deel drie kikkers uit, word terug bedankt en loop de rest van de ochtend lekker droog in geel verpakt. Na een heerlijke en gezellige lunch met zijn drieën, Bulgoki aan lage tafeltjes in een authentieke ruimte, nemen we weer afscheid. Ik ga nog even een rondje, ga bij de Wodji vijver kijken, een serene omgeving zo na de regen, zie de overdekte brug, het observatorium, rij de stad uit op zoek naar meer, verlies me hier en daar op een weggetje waar ik nauwelijks nog kan keren met de buitenmodel auto, rustig aanschouwd door de plaatselijke bewoners; Joost mag weten wat ze denken van die gekkigheid tussen hun moestuintjes. Dan loop ik nog een stukje een prachtig dennenbos in. Voor de Boeddha op de rots ontbreekt me weer tijd, maar een tombe lukt nog wel. Het is hier rustig maar deze plek werd zeer populair toen Elton John een foto van een lokale fotograaf kocht van ditzelfde dennenbos in de zon. Die zon moet ik er bij denken, maar die bomen zijn inderdaad prachtig en ik vind dat bewolkte ook wat hebben. Ik rij terug naar mijn hotel, werk wat bij, drink zwarte thee met suiker, een zeldzaam goed hier, dus eigen voorraad, en loop dan rond zevenen nog even het stadje in. De wijk naast de tombes is levendig en ik val voor een lichte bakkerij-patisserie waar ik mezelf verwen met een heerlijk bladerdeeg-cacao gebakje en een beker warme citroen thee, Dat is dus citroen en water, geen thee. Met ahorn syroop als ik het goed heb. Het is een komen en gaan in de zaak. Ik score ook nog een goed uitziend brood voor onderweg, want morgen verkas ik naar Daegu. Het lukt me zelfs geld op te nemen zonder problemen bij een ATM in de buurt van mijn hotel. Over de snelweg maar dit keer, een stuk van de route zag ik al eerder van dichtbij. Wat een leven. Wat een lieve mensen allemaal.

Wie verre reizen maakt…. 21, Tempels galore, 19 september

IMG_0124

Als je al bijna drie weken onderweg bent, je veel van onderkomen verwisselt, slaap te kort komt en een paar dagen geen echte warme maaltijd tot je neemt, dan komt er een moment dat je denkt: pizza en een warm bad. Die dag was vandaag. Het hotel bleek toch net zo’n hard bed te hebben als al die hotels hier voor een vriendenprijsje. Het Hilton zal lekkerder liggen, maar houd dat maar eens drie weken vol.

’s Morgens eerst een nieuwe tempel bij een waterbassin. Tempels staan nooit zo maar ergens, de plek is altijd van belang,  de tempel moet ergens voor zorgen. Hier kennelijk voor dat water. Een grote Boeddha zit binnen te glimmen, twee zitten daarachter, een in en een voor een nis, daarnaast ligt een flinke jolig op zijn elleboog te leunen. En als je omhoog kijkt staat er bovenop de rotsen nog een heel grote. Hier keurige affiches die aangeven hoe en wat je kunt doneren en wat je er voor terugkrijgt. De plek is afgelegen, maar blijkt in trek voor dat doeleinde. Dan een heel eind de andere kant op, omdat ik even langs het hotel moet voor vergeten zaken. Gelukkig dat je dan nog een bonnetje hebt, waar een naam op staat in het Koreaans, want wat ik had vergeten zorgt voor de wifiverbinding. Zoek dan maar eens uit waar je ook weer in die vele straatjes je hotel terug kunt vinden. Rond de middag om de zuid, naar een werelderfgoed plek: Bulguksan tempel en de grot in de buurt. Een heel verzorgd complex, in dit gebied willen ze weten dat ze erfgoed zijn, werkelijk alles krijgt een puntpannendakje, tot het benzinestation aan toe. Dit gebied rond Gyeongju wordt het museum zonder muren genoemd en dat klopt wel; Ik ga er geen deuk in slaan deze dagen. Omdat deze tempel zo belangrijk is,  veel schoolkinderen ’s morgens, na de lunch zijn ze weer weg, dan is het rustiger. Na een paar uur rondkijken met de auto verder de berg op. Langs een mooi slingerweggetje en prachtige bomen, ook heel vreemde mij onbekende soorten. Boven is het veel rustiger, het beloofde uitzicht is in regennevelen gehuld. Als ik omhoog wil lopen, bied ik aan even de groepsfoto te maken voor een tiental heren dat daar op een trap staat. Een van hen vraagt in perfect Duits: ben u Duits? Ik antwoord in Duits: nee, maar u zit in de buurt, ik ben Hollands. Waarop hij tegen zijn vrienden in het Engels zegt, ‘zie je, dat zei ik toch, al die Nederlanders spreken ook Duits’. Het is meneer Kim, zijn Duits is “Kaputt” zegt hij zelf, en hij vraagt of ik alleen hier rondreis? Ja, en met de auto? Nou, heel bijzonder vindt hij dat. Hij wenst mij een goed verblijf, en na dit Duitse gesprekje ga ik verder.

De bewuste grot-Boeddha is nog een stukje lopen van de parkeerplaats, over een mooi zandweggetje dat wordt aangeveegd en bladvrij gehouden. Boven zit de Boeddha achter een glasplaat, ter bescherming, en fotograferen mag ook niet. U zult me dus op mijn woord moeten geloven dat hij prachtig is en lekker schittert met het juweel op zijn voorhoofd, de Uma. Hier komen mensen bidden. De ene kant naar binnen, de andere kant er weer uit na een schietgebedje. Dan is het al halverwege de middag, boek ik het Apple Hotel, kijk nog wat halfhartig rond in een dorpje dat leeft van de traditionele volkskunst als Shilla aardewerk, het ongeglazuurde zwart dat voor al die dakpannen wordt gebruikt, papier, chalcedon,  hout en riet. Het is een mooi rustig dorpje, prachtige tuinen, en deze late middag loopt er alleen die ene Nederlandse nog rond. Ik stap in, zoek mijn hotel, besluit niets meer te doen en hoop op een warm bad. Dan rijd ik de parkeerplek van het hotel op en daar zitten vijf Australiërs. De heren, oud collega’s, maken jaarlijks een reisje waarbij de trein de verbindende factor is. Ik mag mee naar de Koreaanse BBQ, en verkwikt door het eten en het gezelschap zit ik hier nu, op mijn volgende harde bedje, weer zonder lakens dit keer, in de hoop dat ik vannacht een paar uur meer slaap dan de afgelopen nacht. Er moet nog heel wat ontdekt worden.

 

Wie verre reizen maakt…. 20, Naar Pohang, 18 september

IMG_0095

Een rijdag vandaag, dit land is te groot om alles in twee weken te zien, dus hele stukken moet ik overslaan, de krenten moeten uit de pap. Eerst een nieuwe geheugenkaart voor de camera, en als ik dan toch in de E-Markt ben, met een foodcourt waar de Bijenkorf een puntje aan kan zuigen, sla ik gelijk wat proviand in voor onder weg. Ik maak nog een korte wandeling langs het strand en kies voor de kustweg. Vaak stoppen voor foto’s kan ik niet, je kunt bijna nergens parkeren zonder echt af te dwalen. Bij Somchok besluit ik via Murang Valley naar Taebaek te rijden om via de bergen binnendoor Pohang aan te rijden. Een goede keuze.  De bergen zijn hier stijl en volledig  begroeid met bomen, die al voorzichtig aan herfst beginnen te denken. Waar het voor bomen te stijl is, is de wand paars van de herfstasters. Ik klim omhoog langs bergwegen die niet altijd tot de officiële route horen; dat merk ik als ik midden op een nog aan te leggen stuk beland. De wegwerkers geven geen krimp en wijzen me rustig welk stukje ik kan gebruiken om weer op de 31 te komen. De waarschuwingen voor vallend gesteente worden geïllustreerd door brokstukken op de weg. In Taebaek, waar het schansspringen werd gehouden tijdens de winterspelen, drink ik een vers kopje citroenthee in een minitentje langs de weg. Een stadje verderop besluit ik te tanken want je weet maar nooit. De aardige jongenman aan de pomp blijkt uitstekend Engels te spreken en helpt me graag met wat navigatievragen. Nog twee uur, belooft hij, tot Pohang. Maar ik weet dat het altijd verder is dan het lijkt. Vanaf Taebaek, niet alleen bekend om zijn sneeuw, maar ook duidelijk om zijn steenkool ga ik zuid-oost. De bergen slinger ik over, langs en door, men kijkt hier niet op een tunneltje. Als het hoogste punt bereikt is daal ik langzaam af, worden de valleien breder en bij Andong bereik ik de grote, brede rivier die lang mijn metgezel wordt en ruimte geeft voor landbouw. Rijst, ginseng een beetje, en heel veel fruit. In één dorpje hebben zelfs de bushaltes en straatnaambordjes de vorm van een appel, overal worden ze verkocht, ook langs de weg, groot en rood. Nu ik een nieuwe geheugenkaart heb kan ik erg weinig foto’s maken helaas, maar het uitzicht wordt steeds mooier en lieflijker, tot ik halverwege de middag bij Samsu de zee weer bereik. In dit dorp draait het om de krab, waarschijnlijk de wolhand.  Op veel gebouwen staat hij gevelgroot en oranje als 3D figuur, een brug heeft de vorm van een vissersschip, de krab daarop moet zeker tien meter zijn. Dat doen ze hier graag: figuren gebruiken. Als het dorp paddenstoelen kweekt zie je overal vrolijke mannetjes met puntmutsen staan. Ik ben blij voor de bergweg te hebben gekozen want in Samsu lijkt het zoals in Somchok, maar drukker. De zee zie je bij vlagen, de stranden zijn prachtig. Om kwart over zes zakt de zon achter de bergen, om kwart voor zeven is het donker en arriveer ik bij een lokale koffietent. Een verse bak thee en dan met booking.com een hotelletje gokken. Ook dit keer weer een meevaller, waar de vriendelijke jongeman mijn auto zelfs voor mij op de juiste parkeerplaats zet. Nog niet zeker wat ik de komende dagen ga doen, en of ik nog een deel van het reisgezelschap dat nu in Busan zit ergens onderweg ontmoeten zal over een paar dagen, overweeg ik dit hotelletje aan te houden. Als het bed tenminste zacht genoeg is en deze kamer nog vrij. Mijn hoofd zit vol uitzicht.

Wie verre reizen maakt…. 19, Seorak Natural Park, 17 september

IMG_0048

Om kwart voor negen zoef ik in mijn Genesis G330 onder een stralend zonnetje het Seorak natuurreservaat binnen. Een van de vele Unesco Sites hier. Eerst de kabelbaan omhoog. Al direct in het begin is het zicht op de Ulsan formatie ontroerend van schoonheid. Boven aangekomen eerst nog verder omhoog. Op comfortabele trappen, die evengoed stijl zijn. Op de kale top allerlei medebezoekers die vooral druk zijn met selfies maken. Ik bied af en toe aan een foto te schieten, maar ben vooral druk met genieten van het weidse heldere uitzicht. Het is indrukwekkend in alle opzichten. Dan voorbij het kabelbaanplatform naar beneden, richting de oproep van de monnik die ik bij aankomst al hoorde. Dat blijkt uit een speakertje tussen de bomen te komen, maar als ik bij de kleine Aalhuk tempel kom, zit daar een echte monnik in diep gesprek met een vader en zoon. Vader heeft betaald voor een dienst en ik mag mee kijken. Aan het eind worden allerlei namen opgenoemd, zoiets als bij ons in de RK kerk. Mensen kunnen formulieren invullen, die oogst wordt dan bij de volgende gelegenheid meegenomen. Bij het weggaan verontschuldigt de monnik zich voor het feit dat hij geen Engels spreekt en ik krijg een hand en een bedankje. Dan vertrekt hij met zijn koperen pot naar het woongedeelte onder de tempel en ik, na een schaafijs met rode bonen, met de kabel naar beneden. Ik besluit nog de richting van Ulsan op te gaan maar niet verder dan Heundeul Bawi, dat is te doen gezien de tijd. Het is niet ver, minder dan twee kilometer, maar ondanks het goed onderhouden pad ben je twee uur bezig met bovenkomen. En bordjes moeten er ook worden gelezen, over welke bomen er staan en waarom dit gebied zo bijzonder van natuur is, en over allerlei legendes met betrekking tot dit gebied. Ik maak, bij een doorzicht op de grote Ulsan rotspartij, een foto van een Koreaan uit de buurt van Busan. Hij was hier gisteren al, maar kon toen door de mist niet klimmen. Hij spreekt goed Engels, een uitzondering, te maken met zijn baan bij een luchtvaarttechnisch bedrijf, dus ik klim graag een stukje met hem op. Volgende maand komt hij een maand naar Europa en bezoekt dan ook Nederland. Waar precies moet hij nog plannen. Een vriend van hem was al eens in ons land. Die concludeerde dat Noord-Europeanen zoals wij er uit zien als eieren, wat aan de harde wind geweten moet worden. Koreanen hebben minder wind en dus bredere en plattere gezichten. We nemen afscheid als mijn eindpunt is bereikt en hij nog twee-en-half kilometer verder omhoog moet, en weer alles omlaag.

Ik kijk rond bij de indrukwekkende rotsen, bezoek de grot met de witte Boeddha die daar al sinds 651 zit en nog wat andere kleinere tempels op de weg terug. Het is een prachtige klim en afdaling en beneden is er nog tijd voor de grote tempel, die waarschijnlijk al die andere tempeltjes onderhoudt. Daar kun je ook een tijdje bij de monniken verblijven, veel bezoekers blijven een nachtje. Ik ga nog een keer langs bij de grote Boeddha, bekijk het oorlogsmonument gewijd aan de Tijger-divisie die in 1951 dapper strijd leverde in de buurt,  probeer ergens vergeefs zwarte thee te kopen. Ik toets mijn volgende bestemming in de navigatie en zit, na een rit over de rijkswegen, af en toe direct langs de kust, om zes uur bij Bossa Nova, een koffietentje dat ook thee verkoopt, aan het strand van Gangneum. Daar zoek ik via Booking.com een onderkomen in de buurt. Na een prettig uurtje aan het strand  naar mijn hotel. Het blijkt nieuw en zeer comfortabel te zijn, mijn kamer is van alle gemakken voorzien, het bed is zacht, de handdoeken zijn groot, on-Koreaans. Dus heerlijk bijkomen, batterij en telefoon en wifi-ei opladen en zien hoever ik morgen weer kom. Voor vertrek een elektronicawinkel vinden, al mijn geheugenkaarten zijn vol.

Wie verre reizen maakt…. 18, Naar Seroak, 16 september

IMG_9847

We ontbijten nog een keer met elkaar, uitgebreid bij ‘het beroemde lam’. Een uitstekend ontbijtbuffet. Dan verlaat ik als eerste het gezelschap en gaat deze dag elk zijns weegs in en buiten Seoel. Ik word nog naar het verhuurbedrijf gebracht door gastheer en -vrouw. Daar blijkt men helaas geen compactauto zoals door mij besteld voorhanden te hebben: wil ik een kleintje op gas of een grote op benzine? Ik rijd nu in een Genesis C330, waar mijn koffer makkelijk opengeklapt in de achterbak past, met gecoate ramen en van alle snufjes voorzien. Ik zag ze al staan ergens naast de City Hall en toen stonden er mannen met oortjes en dappere zonnebrillen naast. Nu brengen de drie heren van het verhuurbedrijf mijn bagage naar de auto, programmeer ik een benzinestation in en rijd in anderhalf uur het zondagse Seoel uit. Daarna nog een paar uur verder, soms niet langs de gewenste route, maar ik was nog nergens eerder dus alles is goed.

Het is grijs en dat past wonderwel bij de scherpe groene bergen die in die grijze vertes verdwijnen als op de oude tekeningen die in musea te zien zijn. Na twee keer verbaasd een sirene te hebben horen afgaan begrijp ik dat het beter is voortaan niet de blauwe maar de groene route te kiezen bij de tolpoortjes. Tanken en tol wil op geen enkele kaart lukken maar verder gaat alles voorspoedig. Ik passeer het terrein waar ooit de World Jamboree werd gehouden, waaraan een neefje van mij toen deelnam. Ik zie steeds meer  pleisterplaatsen en bruine  borden die verwijzen naar attracties. In Seorak zijn ruim toeristen, maar Engels, in Seoel al matig voorhanden, is hier totaal afwezig. Dat scheelt een hoop gedoe, je kunt gewoon Nederlands spreken, dat verstaat men ook niet. En leve de vertaal app. Als ik mijn hotel vind (ik blijf het altijd weer een meevaller vinden) staat de dame aan de receptie al met mijn contractje in haar handen, ze had zomaar geraden dat ik het was. Het hotel is sober, schoon en heeft alles wat je nodig hebt. Behalve lakens, daar doen ze eigenlijk niet aan in Korea. Ik zie aan die vertaal-app dat ik niet de eerste westerling ben die zich erover verbaast. Maar de dame overtuigt mij ervan dat de twee dekbedachtige zaken op bed per gast gewisseld worden. We vertrouwen er op. Verder is de inrichting geheel in stijl van de jaren zestig en deze omgeving, aardekleuren, gordijnen met rozen. Na een voor mij te pittige maaltijd besluit ik het voortaan bij fruit, yoghurt en koekjes te houden deze reis. Voor het hotel staan allemaal jongens baseball oefeningen te doen.  Baseball is mateloos populair in dit land.

Het verschil met Seoel is groot. Een wandelingetje langs de rivier, een donkere hemel, nauwelijks verkeer, het geluid van krekels en stromend water. Morgen hoop ik wat van het immens grote natuurgebied te kunnen zien, lopend, per kabelbaan of auto. En dan, ja dan zien we wel weer.