Flanders Fields

27 maart 2018

De laatste dag staan er twee binnenbezoeken op de lijst, wat goed uit komt, want het regent.

Ik denk met twee uur weer buiten te staan bij Flanders Fields, maar na ruim drie uur heb ik echt nog niet alles bestudeerd. Het indrukwekkendst zijn hier de getuigenissen, die gebaseerd zijn op dagboekfragmenten en brieven. Van een arts en verpleegsters, van jongens die de kerstverbroedering meemaakten, de pastoor die vertelt over zijn dorp dat mee lijdt, de scheikundige die het gifgas ontwikkelde en de Duitse soldaat die het resultaat voor het eerst zag, een officier die vertelt over een aanval die misliep, een gewonde die een bijzondere vriend verloor. Ze brengen die stenen dichtbij. Dat is wat men hier overal probeert. Het verleden dichtbij te brengen, een gezicht te geven. Men probeert nog steeds onbekenden bekend te maken, en soms lukt dat, met voorzichtige opgravingen, de nieuwste technieken en heel veel documentatie.

Luchtfoto’s als de oogst op het land staat helpen loopgraven en bunkers te vinden, de zorgvuldige verslaglegging kan van initialen een naam op een gedenkplaat maken, en er een foto bij vinden.

Als laatste het Talbot House in Poperingen. Achter het front. Op weg er naar toe een gedenkteken voor de oorlogspaarden. In Poperingen was een station, een komen en gaan van en naar het front. Soldaten hadden er hun dagen vrij van frontdienst, wat voor alles zorgde wat met zo veel jonge mannen op een plek samenhangt. Om ook voor stichtelijk vermaak te zorgen werd Everyman’s House geopend, gerund door een Padre van de Church of England, Tubby Clayton. Het was er ongedwongen, rangloos, huiselijk, en drank vrij. Op zolder een kerk, er achter een tuin, veel boeken, veel thee.

Een goede keus om hier te eindigen. Ook hier veel getuigenissen, een voorbeeld van de concerten die hier veel gegeven werden, handschriften, brieven, en de ruimte nog ongeveer zoals het toen was, zeker op de eerste verdieping en op de zolder. Ik vraag om thee, als toen, en ik krijg een hele pot. In de keuken, want er komt net weer een schoolklas binnen, dan is de keuken rustiger.

De gastvrijheid doet mij denken aan De Flying Angels Clubs, de zeemanshuizen die de Engelsen overal ter wereld runnen.

Daarna naar Lijssenthoek, waar een hospitaal stond. En wie het niet redde ligt daar begraven. Er liggen meer dan acht nationaliteiten, de Duitsers liggen er overal tussen. Ook een groep Chinese arbeiders, veel op dezelfde dag gestorven, in januari 1919, maanden na de wapenstilstand.

Het bezoekerscentrum hier is volledig digitaal. Er is niemand, de parkeerplaats is leeg op mijn auto na, en ik vrees niet binnen te kunnen. Maar als ik voor de brede deur sta, zwaait hij open. Binnen weer foto’s, namen, stemmen en verhalen, diavoorstellingen die verschillende aspecten belichten. Bijzondere namen, de jongste van 15 en de oudste van 63 die hier liggen. Het verhaal waarom hier een Amerikaan herbegraven is. Ik dwaal over dit kerkhof, en ik vind F. Germany, en ook een jonge Godwin, die lang voor er een reden was voor een wet met zijn naam hier stierf. Ook hier persoonlijke memento’s: een Mariabeeldje, foto’s, kleine vlaggetjes, een extra gedenksteentje. Prachtige ceders, lege plekken in de rijen van jongens die naar huis werden gehaald. Aan de weg voor iedere dag dat de oorlog duurde, zo breed als het kerkhof is, een stalen paaltje met daarin uitgespaard het aantal doden van die dag. Het verloop van de lag om Ieper is er aan af te lezen.

Een uur later dan gepland vertel ik mijn telefoon dat ik naar huis wil en leidt hij mij keurig naar het noorden. Ik herken nog namen van plekken die ik bezocht, zie rond Ieper monumenten waar ik naast stond, maar dan zit ik op de snelweg. Al rijd ik dwars door de frontstreek, er is vanaf die snelweg niets meer van te zien.

De volgende dag, de woensdag voor Pasen, sluit ik deze bijzondere reis af bij de Mattheus Passion. Wir setzen uns in Traenen nieder.

 

 

De Ieperboog

26 maart 2018

De toren van de kathedraal staat te stralen in de zon deze maandagavond. De nevel die vanmorgen nog om hem heen hing, zit nu in mijn hoofd. Ondanks een dicht museum aan het begin, en een al gesloten museum aan het eind, is mijn lijstje nog niet afgewerkt.

Een regel van de gedicht van Hugo Claus “Dun lied, donkere draad, land als een laken dat zinkt” schoot vanmorgen in mijn hoofd, en vanmiddag vertelde mijn geheugen mij ook waarom. Het gedicht heet West-Vlaanderen en daar rijd ik nu rond Ieper, om de restanten van de Grote Oorlog te bekijken. Vlak land, boerderijen hier, genoeg slagveld. Maar de gevechten vonden vaak plaats rond (de ruines van) kerken, boerderijen, kanaaldijken. De strijd ging heen en weer, tot er geen weer meer mogelijk was. Hier in de buurt van Poelkerken werd er voor het eerst gifgas gebruikt, de soldaten en de nog aanwezige burgers stierven met honderden tegelijk. Naast een Duits oorlogskerkhof staat een paal met daaraan borden die verwijzen naar plekken ver van hier, waar hetzelfde gas gebruikt werd de afgelopen eeuw. Afghanistan, Japan, China, Irak. En de laatste Ghouta, 2013.

Beide kanten gebruikten het gas, pas na deze oorlog vond men dat het voortaan een oorlogsmisdaad zou zijn.

Ik begin de hand van de architecten voor de Britse erevelden te herkennen. Behalve hun stenen onderscheiden ze zich in de dood nog nauwelijks. Bij het Tyn Cot bezoekerscentrum probeert men hen weer een persoonlijkheid te geven. Een meisjesstem spreekt in onberispelijk Engels hun namen en de leeftijd bij overlijden. Haar stem klinkt binnen, in het centrum, waar een foto de naam een gezicht geeft, Maar ook buiten kun je haar horen, op weg van en naar deze begraafplaats, de grootste van zijn soort in Europa. Ook hier veel namen zonder lichamen en lichamen zonder namen. Lijsten en lijsten staan er op de wanden. Ze worden nog regelmatig gevonden, maar na honderd jaar in de bodem, met in het eerste oorlogsjaar identiteitsplaatjes va inferieur materiaal, kan met vaak niet achterhalen wie ze waren. Soms nog wel van welk regiment of welke rang, vanwege knopen, distinctieven.

Bij sommige stenen persoonlijke tekenen, van vierde generatie nabestaanden die een naam in ere houden.

Waarom doe ik dit, het moeizame zoeken van rotonde naar rotonde. Niet een van die soldaten draagt dezelfde achternaam als ik. Het was niet onze oorlog. We waren neutraal en vroegen de vluchtelingen die langs het hek (onder stroom) aan onze zuidgrens wisten te komen geld voor hun onderdek. Vluchtelingen.

Het is moeilijk niet cynisch te worden van al dat zinloze lijden. Op iedere plek staat vaak een uitleg van welke strijd hier gestreden werd, wanneer en waarom deze jonge mannen aan hun eind kwamen. Heel jong soms nog, de jongste was 14 en heeft zich waarschijnlijk uitgeven voor zijn oudere broer. Ook toen al moest je 18 zijn om in dienst te mogen, en 19 om ingezet te worden (anders dan bij ons tot voor kort).

En boven de vijftig hoefde het ook niet meer. De oudste was 68. Zo groot was de wens om mee te vechten voor het vaderland. Naar schatting deden er tussen de 120.000 en 250.000 kindsoldaten mee.

Ze moesten niet, ze waren niet al soldaat toen de oorlog begon, het waren geen willoze slachtoffers die gewoon bevelen opvolgden.

De propaganda, het afschilderen van de vijand, zorgde er voor dat ze graag gingen, dat ze dachten voor eer en vaderland te sterven. Of voor god en vaderland, koning en vaderland. De leugen van Langemark noemt men het nu. Aan Duitse kant gingen er duizenden jongemannen de strijd in aan het begin van de oorlog, ooglens hun commandant zingend va het vaderland. Een vrolijke oorlog. Nu liggen ze op het Studentenkerkhof.

De laatste plek die ik vandaag bezoek is Heuvel 60. De best bewaarde plek oorspronkelijk oorlogslandschap. Niets mooier gemaakt, leeggehaald of afgevlakt. Een kleine kunstmatige heuvel, van materiaal dat vrij kwam bij het aanleggen van de spoorbaan met b rug er vlak naast. Ondertunneld door beide kanten met er naast, aan de andere kant van het spoor, een gigantische krater, de rups genaamd.

En waanzinnige strijd onder de grond, waar mannen de halve wereld voor over reisden om aan bij te dragen. De tunnelbouwers hier kwamen uit Australië.

Ook vandaag weer veel schoolklassen, een groep komt uit de buurt, en zal volgende week weer een dag een bezoek brengen aan de slagvelden. Er is veel werk verzet om dit jubileum luister bij te zetten en zin te geven. Nieuwe bordjes, plekken waar iedereen aan mee heft gewerkt, bomen die de grens van het front aangeven; het betrekken van de kinderen: alles met de bedoeling: dit nooit meer.

In Ghouta en Afrin slaan mensen op de vlucht als ze kunnen, sterven als dat niet kan. Door explosies, door gifgas. In een oorlog die al zeven jaar duurt en al honderdduizenden slachtoffers maakte.

Wanneer gaan we daar voor gedenken?

En hoe?

Compiegne

25 maart 2018

Na twee dagen zon grijpt de lente zijn kansen en zie ik bijna per uur de kleuren in het landschap veranderen, van het winters wit zwart en bruin naar de tere lentekleuren. De bloesems springen overal open.

Het plan is vanavond om 20.00 uur  bij de Menenpoort in Ieper te staan voor the last post. Kan toch niet zo moeilijk zin. Ik rijd vlak langs of achter het front langs, maar het lijkt hier rustiger met getuigen van de strijd. Af en toe een fort, heel af en toe een begraafplaats. Het landschap wordt afwisselender, de huizen beter, met heuze chateaux hier en daar. Ergens staast een zeer neppe menhir, met een toverketel op een rotonde: het stadje is de geboorteplaats van Albert Uderzo, een van de makers van Asterix en Obelix.

Dan kom ik bij Compiegne. Daar, in een luxe treinwagon, tekende Duitsland de overgave. Aan ruim vier jaar slachting kwam een eind op 11 november 1918. Een bekend verhaal, op inderdaad een open plek in een bos. Twee sporen met op de plek waar de wagons stonden twee gigantische platen graniet.

De winnaars schrijven de geschiedenis. Op de ene plaat: Marechal Foch, die hier ook zijn standbeeld heeft. Op de andere: de machthebbers van Duistland. Het enige dat zij kregen was een groot beeld met een dode adelaar. Het verhaal werd ons op school verteld, maar in het museum, waar die wagon staat, hoor ik dat ik maar de helft van het verhaal ken.

In 1940, als Frankrijk de wapenstilstand tekent, een die geen eind, maar juist het begin is van vijf jaar ellende, laat Hitler deze kans niet lopen. De wagon wordt uit zijn museum gehaald, de Fransen mogen keurig tekenen, en dan gaat alles, de wagon, de granieten palen en platen, de kettingen tussen de pilaren en alle monumenten mee naar Berlijn. Alleen Foch blijft staan, op een onttakelde nu echt lege plek in het bos. Aan het eind van de oorlog verbrandt de wagon als Berlijn brandt. Wat er nu staat is er een van een iets latere serie, maar de sigaarpeuk van Foch, die is vast origineel.

Ik probeer rechtstreeks door te rijden naar Ieper, maar kan Arras toch niet weerstaan, en daar in de buurt is de slag om de Somme zo aanwezig, dat er elke paar honderd meter wel iets aan herinnert. Met een benzinetank diep in het rood rijd ik in de buurt van Neuville nog van de gebaande weg af. Ik rijd over landweggetjes en gras naar een verlaten plek, waar een regiment Hooglanders ligt. Hier geen parkeerplaats, maar wel weer een keurig onderhouden plek. De Amerikanen hebben de mooiste plekken, maar de Britten de beste zerken, met het wapen van ieder onderdeel in reliëf aangebracht. Alleen de duiven en de fazanten zijn hier te gast. Nog wat verder het land in kom ik langs een  bos dat ook nu nog te gevaarlijk is om in te lopen. De borden aan het hek waarschuwen voor oude explosieven. Dan een begraafplaats die gebruik maakte van het landschap: een diepe krater werd gevuld met de lichamen van de gevallenen van een paar honderd meer verderop. Een krater die van onderaf  veroorzaakt werd. Het hele front hier werd ondergraven en zo probeerde men elkaar op te blazen, vaak met succes.  De mannen kregen hun naam op een gezamenlijke steen, slechts een soldaat kreeg een eigen graf, met een eigen steen. Zijn naam die van een Britse collega waar ik de afgelopen weken mee samenwerkte. Familie van hem vocht mee, ik zal de foto sturen als ik thuis ben, en horen of het een verwant is.

Dan komt er echt haast, met al het omrijden is er echt nog maar enkele tientallen kilometers benzine. In de dorpjes is de pomp gesloten, een pomp langs de weg vinden de Fransen onzin. Uit een ooghoek zie ik een Centre Commercial met wat een benzinestation lijkt te zijn, en na enig omrijden ook is. In mijn 40 liter tank vul ik 40,5 liter bij, op het nippertje gered.

Ik bied weerstand aan alle groene borden en witte zerken die hier tussen Arras en Ieper werkelijk overal staan. Ieper wacht. Om half zeven parkeer ik voor de deur van het gezellige hotel Ambrosia midden in de stad. Men heeft handige kaarten en tips, helemaal gericht op de oorlogstoerist uit Groot-Brittanie. Alle tijd om de poort te halen, een paar foto’s te maken van een ander familielid van een andere Britse collega. En op tijd om vooraan te staan als de indrukwekkende dagelijkse ceremonie zich afspeelt. Het staat vol met mensen, veel schoolgroepen. Een meisje uit Suffolk is al twee keer iemand van haar naam tegengekomen de afgelopen dagen. Het wordt stil als de vier mannen in uniform hun plaats innemen, het taptoe blazen, gevolgd door het bekende gedicht dat door iedereen aangevuld wordt met ‘we will remember them’. Dan legt een tiental groepen en groepjes een poppiekrans. Vermoedelijk te koop in een van de vele winkeltjes. Nog een kort signaal en het is weer over voor vandaag. De souvenir- en boekwinkeltjes doen goede zaken.

 

Verdun

24 maart 2018

Als ik met een stralend zonnetje oost rijdt, over de peage, zie ik aan de horizon de zwarte ruggen van de bossen van de Argonne. De velden van gisteren zijn vandaag ravijnen, steilere heuvels, bossen.

Van de tolweg kom ik vrijwel direct op de Voie Sacre. Anders dan de naam doet vermoeden was het de slagader die de oorlog op gang hield. Een beroemde vechtjas zei eens dat een oorlog niet met strategie of tactiek maar met logistiek gewonnen wordt. , Hier op deze weg werd dat bewezen. Vele duizenden tonnen materiaal per dag, en vele duizenden mannen gingen onafgebroken deze weg over om de slag te voeden. Verdun moest behouden blijven, tot elke prijs. De slag om Verdun duurde in 1916 300 dagen, speelde zich af in een vrij beperkt gebied en liet zeshonderdduizend mannen in het stof bijten, of liever in de klei en de modder. Na de oorlog was er in sommige gebieden zoveel schade, zoveel achtergelaten materiaal, de aanwezigheid van gifgassen, dat het hele gebied onbewoonbaar verklaard werd. Een hard gelach voor de bewoners van de dorpen en dorpjes die geëvacueerd waren voor de grote slag die eind februari 1916 begon. Ze konden nooit meer terug, en hun dorpen, die vaak volledig verwoest waren, weer opbouwen. Bos moest het worden, miljoenen bomen werden gepland, en de rest mocht vrij groeien. Wie er wel mochten blijven waren de 80.000 vermisten, waar nu niemand meer naar zoekt. Ergens staat een gedenkteken dat maant: reiziger, vertel door dat Vaux moest sterven zodat Verdun gered werd, opdat Verdun de wereld kon redden.

Deze dag bezoek ik de bekendste dorpen en slagvelden, afgewisseld met de grote monumenten. In Douemont liggen 130.000 doden in het ossuaria, de Duitsers en de Fransen bij elkaar. Hoewel ik niet een Duitse naam zag. Hier, anders dan op de velden, wel een geboortedatum op de grote stenen die de wanden en plafonds bedekken. Merkel en Hollande stonden hier samen en zeiden: nooit meer deze gruwel. Op de grote begraafplaats voor het enorme gebouw, een hele afdeling met bijna zeshonderd ‘Muzelmannen’ uit Noord Afrika, ook Mort pour La France.

Pax stat er in grote gouden letters boven de ingang. Er is sinds die tijd nog heel wat fout gegaan, deze dag op de autoradio vooral veel aandacht voor de aandacht van een terrorist met IS sympathieën, die een nieuwe held opleverde.

Waar gisten de kraaien boven de velden het beeld bepaalden, zijn op deze zonnige dag de citroenvlinders uitgekomen. Ze dwarrelen overal tussen de bomen. De slagvelden liggen links en rechts naast de weg, tussen het opschot, soms makkelijk herkenbaar, soms moet je goed kijken. Diepe scherpe putten zijn duidelijk de kraters van het hellevuur waar de mannen hier onder terecht kwamen. De vuurrivier noemde een van hen het, en maakte er een schilderij van. Om te weten wat je ziet tussen die bomen, gemarkeerd met roze en blauwe wegwijzertjes en rood/wit lint, ga ik hier en daar een museum in, met uitleg, getuigenissen, foto’s van voor, tijdens en na.

Heet Verdun Memoriaal verlaat ik als ze sluiten gaan, de zon hangt laag boven de heuvels. Eigenwijs als ik ben wil ik toch nog even naar het grote Amerikaanse monument in Montfaucon. En gigantische pilaar staat daar, te hoog om bij de ondergaande zon nog te beklimmen. Nog vele kilomeers zie ik hem, met een helder licht in de figuur op de top. Het ereveld ligt er prachtig bij, met platen, poorten met adelaars en echte marmeren kruisen, voor elke soldaat een. Dan moet ik echt terug, het is al donker, het monument voor een divisie uit Pennsylvania zie ik in een schim voorbij gaan.

Het was een lage dag, en ik heb nog niet de helft van mijn lijstje afgewerkt. Maar genoeg gezien om morgen de reis naar België aan te gaan. Het Westelijk front bekijken, de Flanders Fields, waar de Engelsen liggen.

100 jaar later

 

23 maart 2018

Na 17 dagen strijd in het veelgeplaagde Arnland, vertrek ik om half elf uit Chalons-en-Champagnes met het idee die dag de echte slagvelden te bekijken rond Verdun.

Al jaren is er de wens de eerste Wereldoorlog van dichtbij te bekijken en nu, eind maart 2018, honderd jaar na het begin van de Kaiserslacht, is er een goede tijd voor. Vanwege het werk in Mourmelon-le- Grande, op de rode klei, zit ik er midden tussen, Somme, Marne, Verdun en Reims, allemaal omineuze namen.

De enige info die ik heb is wat namen via het internet, een toeristen flyertje van het toeristenbureau en een tomtom met kuren.

Het is een open, glooiend landschap, gedomineerd door enorme silo’s waar ik doorheen rijd, op deze zonloze, droge koude voorjaarsdag. Ik denk even naar het Marne info centrum te rijden, een half uurtje verderop en dan door te gaan naar Verdun, de snelweg vermijdend. Ik vind het info centrum in een zijstraatje, ze zijn open, maar dicht. Er is waterschade, het centrum is niet toegankelijk. Of ik dinsdag terug kan komen? Dat kan ik niet, maar mag ik dan naar het toilet? Dat mag, en dat was een goede zet, want de dames hebben bedacht dat ik dan gratis toch even naar binnen mag. Geen idee wat er aan de hand was, want ik heb vrijwel de hele tentoonstelling kunnen bekijken, met een indrukwekkende simulatie van een aanval in de loopgraven, veel foto’s en veel kaartjes van frontlinies die nergens heen gingen. Met het kaartje dat ik ook nog krijg zie ik dat er in de buurt veel te zien is. Dat maar eerst dan, hoe ver kan het allemaal zijn.

Ik rijd van dorpje naar dorpje, en links en recht liggen ze, de nationale begraafplaatsen. Soms met een klein monument, soms met een groter, altijd met een infobord met bijzonderheden. Altijd met aantallen van begraven soldaten, apart of in een gezamenlijk graf. Alleen een naam, een rang, een sterfdatum. Hoe oud ze waren vond men niet zo belang. Ze stierven voor Frankrijk.

Per kruis twee namen, een voor, een achter. Of geen kruis maar een steen (van kunststof meestal) met arabische tekst. Leden van de Noord-Afrikaanse bataljons. Op een veld vele honderden. Een Franse vlag op de grote velden, een boek met namen en grafnummers overal aanwezig in de toegangspoort. Af ent toe nog een auto met een bezoeker, meestal ben ik alleen. Opvallend, die afwezigheid van leeftijden. Alleen op een kleiner, wat achteraf begraafplaatsje, waar een aantal families wilden dat hun jongens begraven zouden blijven, nadat de meesten naar huis of grotere begraafplaatsen over werden gebracht, vind ik leeftijden. Voor hun familie was het wel van belang, hoe jong of hoe oud ze waren. Op een enkel graf een foto, later aangebracht. Af en toe een boeket van plastic, heel soms een vlag, als teken dat er nog aan gedacht wordt, aan al die jongens.

Rijen en rijen, meestal loop ik naar de vlag, of naar een monument ergens verderop. Ik neem het mezelf kwalijk dat ik niet langs alle namen ga, maar het zijn er te veel, niet te doen.

De dorpjes zijn stil, overal wel een monument voor de zonen die niet terugkwamen. Een Amerikaans monument op de witte berg, waar de klei ook wit is. Pas op het laatste deden ze mee, maar nog net op tijd om met duizenden per dag te sterven om de vijand van een heuvel af te krijgen. Rondom stilte en zangvogels. De slagvelden van toen zijn nu de graanvelden die de silos vullen waar het brood van wordt gemaakt dat in de bakkerijtjes te koop is. Naar een benzinepomp moet ik zoeken, ik vind er een midden in een dorpje op de stoep, afrekenen in het barretje er naast, met de vage geur van natte hond en een warme kachel. Geen plek om te blijven.

Op het verste stuk van mijn rit, voor ik om keer om weer naar Chalons te rijden plotseling een Duits ereveld. Daar vier doden per kruis, niet wit maar blauwzwart metaal. En daar waar de dode joods was geen kruis maar een steen. Ik tel er acht. Ook daar grote ossuaria, waardoor het niet zo opvalt dat op deze plek op een heuvel, onder oude bomen meer dan 10.000 doden liggen. Meer dan drieduizend kregen geen naam. Ver van huis. Ook allemaal gestorven voor het vaderland, dat te ver weg ligt om veel bezoek van te ontvangen. De heuvels zijn hier steiler, af en toe een bord met een tekst die aangeeft dat hier een bepaald regiment heeft gevochte. Bossen links en rechts waar het front was. Ik kom op een plek waar men de loopgraven, ook weer op een heuvel, sinds 10 jaar zorgvuldig aan het uitgraven is. Het is vandaag droog, maar de loopgraven zijn nat, glad en blubberig. Ook nu, terwijl er weinig mensen lopen. De misère van het dagen in de natte, gladde koude klei te moeten verblijven, terwijl er voortdurend geschoten, verdedigd en aangevallen moet worden, is voelbaar in deze kou. Foto’s laten zien hoe het was. Af en toe vindt men bij het vrijleggen lichamen, soms met een naam, soms alleen met het land van oorsprong. Maanden na het begin van de oorlog, als duidelijk wordt dat deze nergens meer heen gaat, begint men met de aanleg van deze oppervlakkige en ondiepe beschutting tegen vijandelijk vuur. Eerst waren ze Frans, daarna anderhalf jaar Duits, de rest van de oorlog weer Frans. Het ging met honderd meters voor- en achteruit. Ook hier vanuit een observatiepunt alleen rollende velden, kaal en bruin. Nieuw aangelegde bosjes, geen boom is hier hoog of dik. Alleen de foto naast het kijkgat geeft aan waar de vijand lag, 500 meter verderop. Er is zo aan de oppervlakte niets meer van te zien. Als ik er weg rijd, weet ik mij voortdurend binnen of buiten het schootsveld van het grote kanon op die heuvel, naast de Franse vlag.

Omdat een wereldoorlog niet genoeg was, op sommige wegen markers van de Voie de la Liberte 1944, toen de bevrijder dacht vlot naar Berlijn te marcheren. We schrijven hier oorlog over oorlog. Ik eindig ’s avonds om half zeven, op een heuvel met weer een groot monument, er omheen weer geploegde, wachtende velden. Een oudere oorlog dit keer, ook weer voor het vaderland. Bij de molen van Valmy stopte generaal Kellerman de aanval van de Duitsers en Oostenrijkers. De volgende dag werd de republiek uitgeroepen en was de revolutie het feit. Napoleon kon aan zijn carrière beginnen100