NBU 44 , Pech, 9 juni

IMG_6141

Na de tegenvaller gisteren was ik lichtelijk overstuur en moe, vanmorgen moest ik mijzelf van de vloer oprapen. Een hele zondag Tucson was geen aanlokkelijk vooruitzicht. Maar je moet altijd van de nood een deugd maken. Dus een Apple winkel opgezocht, want alle trucjes die ik ken brachten mijn ouwe trouwe Macbook Pro 17” niet tot leven. Om vijf voor tien stond ik bij de winkel, alle groene T-shirtjes in opperbeste stemming stonden klaar om mij te helpen. Maar hoe het vriendelijke genie achter de balie ook probeerde: ook hij kreeg er geen beeld meer bij. Nu is het beestje bijna tien en had ik al voorzien dat hij niet eeuwig bij mij zou blijven. Ik wist ook al wat ik na hem wilde. Dat heeft zo’n winkel dan gelukkig ruim op voorraad. Nadeel is wel dat mijn harde schijf niet gedeeld kon worden met de nieuweling, dus dat is de volgende uitdaging. Het is allemaal even nieuw en anders, maar ook gewoon Apple natuurlijk. Ook heb ik een adres van een third party, die wellicht in Las Vegas, als ik toch moet wachten, mijn harde schijf kan delen met deze nieuwe jonge vriend. Tot zo lang zijn er een paar blogjes die missen, want opnieuw schrijven begin ik niet aan. En de foto’s moeten weer in het mapje, daar heb je zo’n ding immers voor.

Tucson op zondag was inderdaad zoals ik me had voorgesteld. Het door iedereen aangeraden gezellige oude centrum was op deze hete dag landerig en kwam pas in de late middag wat tot leven.

Tucson is niks mis mee, het is een stad die ligt te bakken in het dal tussen de bergen. Mensen komen hier om te overwinteren, ’s zomers moet je hier eigenlijk niet zijn volgens mij. De stad heeft de ruimte, de straten zijn breed, het is allemaal goed onderhouden. Ik parkeer Monster in een buurt met nog oude, grijsblauw en rode huizen met veranda. De nieuwbouw is meer pastel met rode daken. Ook hier daklozen, maar iets minder lijkt het. Of ze liggen allemaal ergens in de schaduw. Ergens op straat staat, voor een huis met nogal wat bordjes die vragen om gerechtigheid en minder muur, een paar goede schoenen te wachten op een nieuwe eigenaar.

Ik deed na de aankoop een poging wat kunst te genieten, een aantal musea was dicht, in meer woestijnleven in een museum had ik even geen zin. Dus het MOCA, Museum of Contemporary Art. De toegang is 5 dollar. Het werk zeer contemporain. U heeft meer waar voor uw geld in Kunsthal 45, maar ik ben bevooroordeeld uiteraard.

Daarna nog maar ergens iets drinken of een ijsje. Uiteindelijk werd het een fish and chips maaltijd en veel thee in The Hub, een trendy tent met goede muziek en een overijverige jongeman die elke twee minuten kwam vragen of er nog iets was wat hij voor me kon doen. Dat was niet zo, ik moest mij gewoon weer even herpakken, thee en goede muziek helpt dan heel goed.

Daarna nog even op zoek naar een plant en wasmiddel, bij Walmart. Als ik terugloop naar Monster en op een kruising naar links kijk zie ik een berg, als ik naar rechts kijk zie ik een berg en als ik vooruitkijk zie ik een berg. Het is gelukkig wat bewolkt, de temperatuur valt mee.

Na mijn aankopen naar de campground op het grint. Als ik daar Monster parkeer zie ik mensen in een zwembad dat mij gisteren geheel ontgaan is.

Meer is er niet nodig om Smitje gelukkig te maken. De aanschaf van de badhanddoek met duiktafereel in Walmart was een voorzienige daad. Tien minuten later lig ik in het water en praat met de ander gasten over van alles.

 

Just add water.

NBU 43 (denk ik), Tegenslag

IMG_6133

Dat krijg je ervan als je niet plant. Vanmorgen goed uitgerust maar wat wiebelig van het klimmen op mijn gemakje wakker worden. Dat wil zeggen dat ik er pas om half zeven uit was. Geen coyote als wekker helaas.

Welk plan zou ik uitvoeren? Naar de Noord Rim rijden voor meer canyon?  Na drie dagen Wow ervaringen leek me dat wat veel. Overslaan en op een sukkeldraf naar Las Vegas?  Dat leek me wat jammer. Tucson is volgens de (nieuwe) vriendelijke jongeman in mijn telefoon maar vijf uur rijden. Om 14.00 kon ik er zijn. Ik weet dat dat nooit klopt en hoop op 16.00 uur. Eerst langs een McDonalds voor wifi om alle blogjes te plaatsen die nog wachten. Daar was wel ontbijt en wifi, maar mijn laptop kwam niet tot leven. Dan nog even tanken, verkeerd rijden, de stad twee keer door en voor je het weet ben je een uur bezig in Flagstaff met niks.

Het landschap is eerst meer bos, daarna wordt het lager, korreliger, platter en droger. Als ik van een pauzeplek wegrijd zijn er ineens zuilcactussen, jawel, die uit de Westerns. Groot en groter en op punt van bloeien. De Yucca’s zijn ook van reuzenformaat. Ik zit dan ook nog maar op 3000 voet. Verder het geel van het uitgebloeide en verdorrende gras, het roze van de grond, het grijsgroen van de jeneverbes en het grijsroze van de bergen, na de sneeuwtop van de San Francisco.

De temperatuur stijgt, de auto wordt heter, raam open maakt het alleen maar warmer. Mijn koude limonade is na verloop van tijd zo heet als thee hoort te zijn, mijn IPhone dreigt te bezwijken door de hitte, maar uiteindelijk sta ik dan toch voor de basis die het doel is. En ervoor blijf ik, want hoe ik ook probeer: er is niemand die mij deze vrije dag de basis op wil brengen. Een jongeman die ik via het Chaplains nummer aan de lijn krijg, vindt dat hij kwalijk mensen uit hun vrije weekend kan halen. Ik weet niet wat de chaplain daar doet of wanneer, maar dus niets op zondag. Uiteindelijk word ik dringend verzocht het maandag te proberen, dat is een flinke tegenvaller. Twee nachten in deze hitte is niet iets waar ik naar uit zie. Maar gelukkig is er in de buurt een RV-park, nou ja, park. Ik heb de indruk dat mensen hier soms lang staan, je kunt een plek met afdak huren voor maanden.

Nadeel van deze optie vooral is dat ik dan in één ruk naar Las Vegas moet, waar ik zelf een reistijd van 10 uur voor reken, en dat dan vanaf het moment dat ik vertrek, ergens laat in de ochtend, als het weer zo heet wordt. Geen prettig vooruitzicht, maar het is niet anders.

Ik kom op de campground aan, die gesloten is. Andere bewoners helpen mij een plek vinden, en geven me de code voor het douchegebouw. Er staat genoeg leeg, morgen maar aanmelden.

Tja, dat krijg je ervan als je niet plant en op je impulsen handelt, dat zal me leren.

 

 

 

NBU 42, What goes down, must go up

IMG_5992Om 5.03 uur schrik ik wakker van de coyote van dienst, die de zon begroet met zijn uithalen. U kent het van de films. Ik wil nog wel een uurtje slapen, maar dat lukt natuurlijk niet, de hele wereld wacht! Om 7 uur rijd ik het park weer in, waar nu veel plek is om te parkeren en nog maar weinig mensen zich vertonen. Ik besluit het rim trail naar het westen te lopen, met de zon in de rug. Het is een onvoorstelbaar indrukwekkend landschap dat zich ontvouwt onder mij.

Af en toe onderbroken door het bezoeken van een museumpje of een historische plek. Met souvenirs. Als ik om tien uur zie dat ik ben aangekomen waar ik ongeveer had gedacht te komen, zie ik het begin van een trail naar beneden, Bright Angels. Een hele afdaling lukt niet, daarvoor heb je een overnachting beneden nodig die een jaar van tevoren geboekt moet worden. Of je neemt je tentje mee. Verschillende groepen zie ik welgemoed met rugzak omhoog komen op dit vroege uur, zo zijn ze de middaghitte voor.

Maar ik haal het omlaag tot 3 mile point en weet dat ik dan ruim twee keer zo lang onderweg ben om weer boven te komen. Het is elke stap waard, je daalt af langs de geologische geschiedenis van dit gebied, je ziet de rotsen vanaf een ander gezichtspunt. Je krijgt een gevoel voor de enorme afmetingen van deze diepte. De Coloradorivier blijft een schier onzichtbaar streepje in de diepte. De overkant blijft blauwwazig. Je ontmoet heel wat mensen onderweg. Omhoog loop ik ongeveer op met een gezin met twee kleine jongetjes, een bij vader op de rug, de ander dapper met zijn zes jaar op eigen beentjes. Ieder rust wanneer het nodig is, zo blijf je elkaar passeren. Maar helemaal bovenaan, als het steiler wordt, gaat mijn tempo omlaag en zie ik ze niet meer terug.

Boven gekomen blijkt het weer razend druk overal. Rijen voor de ijswinkel. Ik zoek de shuttlebus op, rijd naar het bezoekerscentrum waar Monster staat en laad mijn laptop daar op, op de grond, schoenen uit, tussen de bezoekers die het allemaal nog moeten gaan beleven. Ondertussen dit stukje tikkend. Vanavond vroeg onder de wol.

Morgen weer een dag, maar waar?

 

 

 

 

NBU 41, Afstanden

IMG_5232

U wordt het vast zat, al die superlatieven over mooie vergezichten. Dan nu een bijna-rampje voor de afwisseling. De rest van de dag komt daarna langs. Ik ben op weg naar de Grand Canyon South Rim. Die Canyon komt natuurlijk niet ineens, dat bouwt op. Dus af en toe zijn er scenic views die zicht geven op de grote scheuren in het landschap. Een die ik wil bezoeken, om even het weidse uitzicht in me op te nemen en wat foto’s te maken, is afgesloten. Jammer maar geen nood, een paar honderd meter verderop staan twee RV’s en een auto op een plek. Ik rijd voorzichtig aan en kijk of ik er nog tussen pas. Dat moet lukken. Ik rijd de RV dwars de parkeerplek op, met zijn kont naar de weg en de kop naar het uitzicht. Als ik bijna ben waar ik wezen wil, hoor ik een hoop gekras achter me. Als ik de wagen parkeer en omkijk zie ik dat ik met mijn trekhaak (handige dingen) een groef in het asfalt maakte: de parkeerplek ligt voorbij een nogal diepe dip. Dat het mij gelukt is toch te parkeren is een gelukskwestie. De andere grote RV had minder geluk. Een aantal vertwijfelde jonge Aziaten staat vast en kan niet voor- of achteruit. Een andere parkeerder, gestopt om te helpen, vraagt of ik raad weet, ik heb immers ook zo’n groot ding.  Alles wat ik kan verzinnen is al geprobeerd, iemand heeft een telefoon die wel bereik heeft, de ongelukkigen hebben dat niet. Weer een andere parkeerder voert het gesprek in zijn betere Engels: hulp van de verhuurder is onderweg, al kan het een uurtje duren. Dan is het zaak dat ik mijn Monster zo manoeuvreer dat ik niet op de terugweg in de goot beland. Dat lukt gelukkig. Vrolijk fluitend verder. De hulpvaardige jongemannen zie ik later weer terug bij een adembenemend uitzicht.

Nadeel van de VS, het is zo groot dat een paar uur rijden dichtbij lijkt.

De enige afspraak die ik maakte deze reis is die in de Antelope Canyon, een slotcanyon met adembenemende kleuren en vormen. Maanden geleden al kon ik maar op twee momenten boeken. De canyon ligt zuid van het stadje Page. Page werd gesticht in 1957, in verband met de elektriciteitscentrale en mijnbouw hier, het historische deel heet ‘straatje van de kleine motels’. Ik telde bij langsrijden een stuk weg met 10 kerken naast elkaar. Het stadje draait om de toertjes die canyon in en het verblijf bij of op Lake Powell.

Deze ochtend vertrok ik voor dag en dauw met de zon in de rug uit Monument Valley. Wat een prachtige plek. Ik ga west, het landschap verandert naar wat rafeliger rotsen, er liggen rode ruggen kilometers lang naast de weg, dan verbleekt de steen, wordt wit en roze. Daar doemt Lake Powell en het achterliggende gebergte op. Prachtig. De smeerpijpen links naast de weg, van die centrale, negeer ik.

Ik heb alle tijd om voor de canyontrip nog even naar het bezoekerscentrum en Powell museum te gaan. Een zeer kundige en uiterst vriendelijke dame neemt alle tijd om me de mogelijkheden van het gebied uit te leggen, alsmede de overnachtingopties, die niet vallen onder de dure RV campgrounds. Het kleine museum vertelt het verhaal van de militair Powell, die ondanks het ontbreken van zijn rechterhand met een groepje dit immense gebied in kaart bracht. De eerste keer in drie maanden, toen raakten ze alle kaarten en notities kwijt bij een bootongeluk. De tweede keer duurde het wat langer en bleef het bewaard.

Dan naar het toerbedrijf. Daar staan nog een man of zestig te wachten. In open wagens gaan we in groepen van 12 met een gids mee. Voor we de canyon vanuit de wash binnengaan even de spelregels doorlopen, er is absoluut geen naaktfotografie toegestaan! Dat u het even weet.

Ook hier komen flashfloods voor, de laatste keer dat die een dodelijke afloop had voor een groep bezoekers werd de canyon gesloten voor losse bezoekers en alleen toegankelijk via de gidsen. Ze hebben allemaal een kinderschepje bij zich.

In ganzenpas gaan we naar binnen. Het maakt niet uit dat we in een file staan. Het is hier koel en aan alle kanten prachtig. Ik weet niet hoeveel foto’s ik heb gemaakt maar elke kant die je op kijkt is raak. En de hoogtepunten zijn die plekken waar op dit moment van de dag de zon recht naar beneden op de zandvloer schijnt. Vandaar die schepjes. Er wordt wat zand omhoog gegooid en de zonnestralen worden zichtbaar, ook voor de foto. Zelf wacht ik liever tot het meeste zand weer neergedaald is, dan weerkaatst de zon niet zo.

Ook als je staat te wachten, de lijnen, vormen, kleuren, alles is mooi. Op de heenweg mag je foto’s maken. Op de terugweg is het doorlopen, tenzij je moet stoppen als een inkomende groep die zonnestralen vangt. Je wilt geen vreemde mensen op die foto natuurlijk. Hoog boven ons wat restanten hout en wortels als stille getuige hoe hoog het water komt als het fout gaat. En het gaat altijd een keer fout, al lijkt dit gebied nog zo droog.

Ik ben erg benieuwd naar de foto’s dus ik denk de middag verder bij Starbucks door te brengen, met thee en snel internet. Die thee is er wel, maar internet? Nou nee. De Safeway waar ze inzitten heeft wel gratis internet, maar zo instabiel en traag, dat ik daar niets mee kan. De hele middag in Page rondhangen? Nog even naar het meer, om te zwemmen?

Terwijl de Grand Canyon maar iets onder de drie uur rijden is! Ik pak de laptop weer in, loop terug naar Monster en rijd naar de Canyon. Meer mooi landschap, dat incidentje met de trekhaak, en dan rijd je het gebied binnen. Wat bebost is. De eerste ontdekkers hier liepen het bos uit en zo bijna de canyon in. Drie dagen probeerden ze vergeefs naar beneden te komen, naar de Coloradoriver. Ik besluit het eerste uitzichtpunt en de Watchtower te bezoeken.  Zelfs dit kleine verre stukje is al letterlijk adembenemend. Je moet er even bij gaan zitten, naar de blauwe bergen staren, genieten van de grote kraaien die zo mooi gebruik maken van de opstijgende lucht. Maar het is al wel zes uur inmiddels en het park heeft geen slaapplek. Ik moet dus naar het bos aan de rand. Ik wil niet te veel stoppen, maar af en toe stap ik toch uit om een blik over de rand te werpen. Mooi, mooi, stil, ondanks alle toeristen die hier de sunsettoer doen met de shuttlebusjes. Dan een opstopping midden op de weg: Heel grote herten met forse geweien lopen op en langs de rest en staan te eten. Daarna zie ik ze nog overal staan en lopen in het bos aan de rand van de weg of zelfs midden in het winkelcentrumpje. Het blijken elk, elanden te zijn, wapitiherten noemen we ze in Nederland.

Parkeren zit er voor mijn grote joekel hier niet meer in zo laat op de dag. Ik kreeg veel info bij binnenkomst, maar ik moet er even over nadenken wat ik hier ga doen en hoe lang ik daarover ga doen. Dan duik ik weer het park uit via een andere route, het bos in. Waar inderdaad overal campers staan, in het begin met grote RV’s, daarna alleen nog tentjes. Maar ik moet ook nog een plekje dus het eerste het beste vlakke stuk dat ik zie, langs een zandweg (had ik al gezegd hoe groot en zwaar Monster is?) is voor mij, linksaf en even doorrijden tot de staart van het weggetje is. Geen idee hoe ik hier weer weg kom, maar dat is een probleem van morgen.

Nu eerst de verse boontjes afhalen en de honger stillen. Dit stukje tikken terwijl ik met mijn onbeperkte abonnement een netflixje pak. Het is hier doodstil in het bos, benieuwd hoe ik morgen wakker wordt. Staan er dan elanden om mijn Monster?

 

NBU 40, Monument Valley

IMG_5166

Dagje kalm aan en niet rijden, ook fijn. Ontbijtje met verse yoghurt, Quaker Oats en rauwe honing uit Lampasas. Dan een toer boeken bij de vriendelijke manager voor de namiddag, als de schaduwen en kleuren het mooist zijn.

Ik heb een hele dag voor me voor van alles. Ik maak een houder voor een van mijn waterflessen voor morgen, in Antelope Canyon. Die is zo smal dat rugzakken en zakjes niet zijn toegestaan. Dan sleep ik mijn opvouw tafel en stoel naar de schaduw van een hokje aan de rand en probeer een monument vast te leggen. Lastig. Ten eerste veranderen de schaduwen en dus de vormen iedere minuut. Zaak dus die eerst vast te leggen en goed te kijken hoe en wat. Dan staat hier een flinke bries, die aardig op temperatuur is. Weer die stofduiveltjes van gisteren. De verf droogt op je bordje en op je kwast. Als ik daar zit komen de eerste ruiters terug die te paard de vallei in zijn gereden. Dan heb je wel een af plaatje. Van ver kunnen het best cowboys zijn, al is de gids een indiaan natuurlijk.

Na drie uur gepeuter houd ik het voor gezien en zet het spul op mijn picknick tafel. Dat trekt volk, en nee, hij is nog niet verkocht. Maar je hebt dan wel heel leuke praatjes met mensen overal vandaan. Ik doe lekker Amerikaans en vraag ze de hemd van het lijf. Sommigen hebben net hun huis verkocht en moeten net als ik alle trucjes nog leren. Anderen doen dit al jaren. Het miegelt hier trouwens van de Nederlanders. Deze bestemming staat in alle lijstjes, dan komen ze wel. Er waren plekken waar we nooit of zelden een Nederlander zagen op mijn reis.

Tussendoor kijk ik naar het steeds veranderende uitzicht, het levende schilderij voor mij, met de prachtige luchten en kleuren.

Ook even de ramen lappen, nou ja, de voorruit dan, de rest zoekt het maar uit, de zonwering is permanent dicht. Monster is inmiddels roodbruin, maar ik hoor hem er niet over, dus ik laat het zo. De WC krijgt een goede beurt (halve meter in het vierkant, dus valt mee) en ik open twee lege kastjes waar ik nooit in ben geweest. Monster heeft ruimte voor vijf, de helft staat leeg. Nu ga ik wat lezen en een bak aardbeien verorberen. Ik spreek u weer als ik uit ben geweest.

Precies op tijd word ik opgehaald door Reeder, een jonge Navajo gids. Ik ben zijn enige klant, dat treft. Wat minder treft is dat ik bovenop de forse prijs nog entree voor de vallei moet betalen. Tel daar de tip bij op en het kost wat. Maar dan heb je ook wat.

De vallei is prachtig, de kleuren zijn prachtig. U kent er allemaal foto’s van, of u kent het uit clips, commercials, films (alle John Waynes bijvoorbeeld). Maar dan ervaar je het niet als 360 graden plus geluid en geur. Je mist dan de grootsheid van het gebied.Tel daarbij op de grote kennis van heden en verleden van de Navajo geschiedenis en de geologie van deze kleinzoon van een medicijnvrouw die nog tot de regengod bidt, en je bent verzekerd van een geweldige ervaring. We stoppen regelmatig, ik probeer vast te leggen wat ik kan. Klap op de vuurpijl: als ik ergens tegen een rots geleund naar boven kijk om een arch te zien die de kop van een adelaar vormt, begint hij ook nog te spelen op zijn dubbelfluit. Het lied is melancholiek en past prima op deze plek. Als ik hem later vraag welk lied het was blijkt hij het ter plekke verzonnen te hebben.

Helaas mis ik de grondeekhoorn, andere dieren dan wat koeien zie ik niet. Maar wel bezoeken we een kleine gemeenschap waar de originele hoga nog gebruikt wordt als weefatelier. Dit woonhuis wordt opgebouwd van hele jeneverbes-stammen en bedekt met de rode aarde van dit gebied, Een skelet staat er al meer dan honderd jaar. De jonge vrouw daar is de kleindochter van een zeer beroemde Navajoweefster die velen de oude techniek bijbracht. Zij zet de traditie voort van het zelf kaarden, spinnen en kleuren van de wol, en dan de traditionele kleden maken. De hoga is koel op deze warme dag, in de winter wordt hij verwarmd.

Er zijn vergezichten, bloemen, verhalen. De rit zelf over de onverharde rode zandwegen is leuk. Aan het eind willen we de zon onder zien gaan vanaf een daarvoor bekend punt. Veel toeristen overnachten in het hotel op dat plateau zodat ze na het eten snel de zonsondergang kunnen bewonderen. Als wij aankomen, 10 minuten voor tijd, staat er al een flinke lijn klaar, waarbij sommigen zich uiteraard meer met de selfies dan met de achtergrond bezig houden. De kleuren veranderen zienderogen, maar op het moment suprême is er een wolkje, niet groot, maar groot genoeg, aan de verder blauwpaarse hemel dat zich slim positioneert tussen de rotsen en de zon.

Ik moet daar dan vreselijk om grinniken. Een Française beklaagt zich maar troost zich met de gedachte dat er morgen nog een zonsopgang is. Ik raad haar aan dan naar een andere kant te kijken. Ik word hartelijk bedankt voor het goede advies.

Terug op de camping neem ik afscheid van Reeder met naast de tip  en klompjessleutelhanger en een kikker. De kikker mag gelijk op het dashbord.

Het kost een klein vermogen, maar dan heb je een onvergetelijke middag. Nu zien hoe ik de foto’s weer naar mijn laptop krijg. De trage verbindingen maken dat wat lastig.

NBU 39, Indianen

IMG_4704

Dit blogje kan nauwelijks geschreven. Ik heb zo veel indrukken opgedaan vandaag, dat het amper in drie dagen past. Laat staan in een blogje.

We beginnen gewoon vroeg, bij dat rustige benzinestationnetje. Die boomstronk van Smoky Mountains zit nog dwars, dus echt veel diepe slaap was er niet. Maar genoeg om de dag aan te kunnen. Ik pak de route weer op en geniet van de rode rotsen. Ik klim gestaag, af en toe staan er bordjes, inmiddels zit ik op 7000 voet of meer. Na een uurtje zit ik in Apacheland, dit is het gebied van de Tribal Nations. Eerst dus een klein stukje Apaches, die gelijk op de grens een casino hebben staan in een heel grote tent. Ik stop om wat warms als ontbijt te halen, alle mannen die ik zie zijn dus indianen, met ronde gezichten. Ik vind ze vooral op Mexicanen lijken. Het landschap is weer prachtig: plateaus aan de einder van de hoogvlakte met grijsgroene struiken waar ik doorheen rijd. Af en toe weer hele vlakken bloemen, felgeel, paars. Gelijk geen koe meer te zien, hier is het alles paarden: bruin-witte, grijsgevlekte, mooie vossen, veel met veulens er bij in het veld. Dan een korte afdaling en ik zit in Navajo Nations. Die proberen hier en daar de landsbouw te bedrijven, in Farmington rijden enorme combines op weg naar de velden, ik rijd over een irrigatiekanaal. Dat is nodig, er is veel armoede. De lommerds en kredietreclames, maar ook de afkick-klinieken getuigen er van. En de bordjes met de kreet: we do not need talk, we need jobs! Weer weinig radio, maar als die er is spreekt men de eigen taal, met de cijfers en namen er in het Engels doorheen. Af en toe valt mijn navigatie weg: hier is alleen de weg naar de einder.

Naarmate ik naar het westen rijd, worden de koppen meer indiaans zoals we dat kennen van de foto’s. Het landschap wordt weer gespikkelder met bomen, dan weer kaler. Bij sweetwater piept de top van Shiprock over de einder. Ik maak een omweg om dichter bij te komen. Dat lukt tot de onverharde weg. Over het ruwe terrein kan je dichterbij komen, maar hoe graag ik dat zou willen: het lijkt me te veel gevraagd van Monster op zijn oude dag. Ik gooi mijn voorgenomen route om als ik bordjes zie met Window Rock. Dan maar langer onderweg, of niet vandaag in Page, ik heb speling gelukkig.

Ik weet, het wordt saai, maar het blijft maar steeds indrukwekkender worden. Bij Window Rock is een bestuurlijk centrum van de Navajo Nation, er zijn monumenten ter gedachtenis aan hun oorlogsslachtoffers, waaronder veel codespeakers die handig waren bij het overbrengen van boodschappen in WWII. Er zit ook een jonge vrouw onder een boom bij het monument met een paard en een volgeladen kameel. Kennelijk op doorreis. De pers is er bij om haar te interviewen, later hoor ik haar op de radio genoemd worden; Lisa heet ze.

In de middag weer naar het noorden en dan werpt de Grand Canyon, althans dat landschap, zijn schaduw vooruit. Enorme rotsformaties in grillige vormen, scherp of zacht, grijs of rood. De lucht is naar het noorden bezaaid met kleine witte wolken, aan het zuidwesten hangt een enorm onweersfront dat nog een bliksem loslaat voor het afdaalt naar een plateau links van mij. Ik kan bijna nergens stoppen, u moet mij op mijn woord geloven. Het is om de Engelse term te gebruiken jawdropping. Ondertussen staat hier een behoorlijke dwarswind, ik zie stofduivels naast en voor mij, Monster moet flink in de hand gehouden worden. Een ranch die ik voorbij rijd weet ervan: Welcome to Windy Valley Ranch. Overal waarschuwen borden ook voor nul zicht, als die stofduivels een zandstorm worden. En ondertussen steeds die nieuwe formaties aan de einder. Ik gooi nog een keer het plan om: ik rijd niet naar Page, links af, ik ga rechtdoor naar Monument Valley. Ben er nu toch bijna en het scheelt anderhalf uur rijden.

Beste besluit van de dag: als ik de vallei nader staat de zon laag in het westen. De ronde, gladde rotsen op de voorgrond vormen van mijn standpunt gezien een keten van gloeiende oranje bollen. Daarachter rijzen de scherpe rechte paarsrode torens op. Daarboven dan die lucht. Het is zo mooi dat het pijn doet.

Aangekomen in een KOA kamp boek ik twee nachten. RV’s mogen niet naar binnen, ik ga een toer maken. Dat is nog iets betaalbaarder dan een jeep huren.

Ik haak Monster aan, zet de airco hoog en loop naar de rand, naar de prairie. De paarse bloemen, de gele bollen, daarachter die hoge scherpe torens.

Had ik al gezegd dat het hier mooi is?

 

 

 

NBU 38, Cowboys

IMG_4567

Na een prima nacht in een zeer luxe slaapkamer met eigen badkamer, een gezellig ontbijt met verse aardbeien, omelet en thee. We besluiten het Indian Cultural Museum te bezoeken deze ochtend. Daar uitleg over hoe de vlag van New Mexico, geel met een zonnesymbool, gejat is van een indianenstam, zonder bedankje. Dat symbool zie je uiteraard overal, zelfs als lamp, t-shirt en op koffiebekers komt het voorbij. De indianenstammen hier, allemaal pueblo indianen, maken veel mooie dingen, onder andere prachtige potten, met geometrische figuren in zwart, wit en rood. Ik besluit tot een klein zaadpotje, gemaakt door een eigentijdse Acoma pottenbakker. Klein genoeg om de reis te overleven en nog betaalbaar. De grotere potten zijn om van te watertanden, maar zeer duur.

Na deze ochtend vertrek ik richting Santa Fe, over de scenic route, nummer 14. Bergrug op, bergrug af. De uitzichten zijn adembenemend weer, gespikkeld met bomen. Heel vaak kan ik niet stoppen om een foto te maken. Ik rijd door de oude mijnstadjes Madrid en El Cerillos. Daar veel toeristen die komen voor alles wat zo’n indiaans mijnstadje aantrekkelijk maakt voor hen, veel souvenirs en indiaans handwerk. Ook veel galeries met zilverwerk en turkoois. Ik besluit ze over te slaan en kom halverwege de middag aan in Santa Fe, rijd midden door het historische centrum met Monster en kan gelukkig ergens parkeren, tegen een forse vergoeding. De stad heeft vast laten leggen dat je alleen in de typische okerkleur en pueblostijl mag bouwen. Zelfs Frank Lloyd Wright ontwierp hier een villa. Hij staat momenteel te koop, voor een kleine 5 miljoen mag u hem de uwe noemen. Ik zou snel zijn.

Het stadje staat in het teken van de kunst, oud en nieuw, modern en traditioneel, Elke tweede zaak is een galerie of er wordt indiaans handwerk aangeboden, van hoge kwaliteit. Het plein is gemoedelijk. Ik bezoek de kathedraal, de eerste west van de Mississippi ooit. Dan de Loretta kapel, klein en ooit van de nonnen, die een timmerman een prachtige trap lieten bouwen naar het koor. Althans, ze betaalden voor een gewone trap, de timmerman maakte er een prachtige draaitrap van. Dat maakte de kapel beroemd en de zusters rijk. Ze verkochten de kapel, zijn allemaal met pensioen en leven van de opbrengst en van de verkoop en de kaartjes. Het is een intiem, monochroom kerkje, die trap is inderdaad geweldig. Dan nog even snel naar het Geogia O’Keefe museum, want ik heb inmiddels besloten om hier niet nog een dag rond te hangen en allerlei dure musea te bezoeken. Het Georgia O’Keefe is gratis, omdat er verbouwd wordt. Slecht één kleine zaal is open, maar er draait een film waarin zij, inmiddels al ver in de tachtig, geïnterviewd wordt. Een zeer bijzondere vrouw, die 98 werd en haar eigen weg ging.

Dan zoek ik een plek op weg naar Page waar ik kan overnachten. Er is ergens een State Park in de buurt van Pueblo Jemez, daar rijd ik heen. Dat betekent bijna een uur terug over de snelweg, want dat natuurpark en de bergen daar laten niet veel keus. Als ik er bijna ben en er gewaarschuwd wordt dat het laatste benzinestation in aantocht is voorlopig, stop ik, voor een prachtige rotsformatie. Als ik vol tank vraag ik waar ik zou kunnen overnachten. Dat mag op hun eigen terrein naast de oude picknicktafel. Een gemoedelijk stationnetje, men komt en men gaat en blijft nog even hangen voor een praatje. Er stopt een pick-up met veetrailer, waarin vijf koeien, vijf kalveren en een paard. Gereden door een echte cowboy! Ik mag even bij de koeien kijken, die dat niet fijn vinden; we ruilen uit dat we allebei als kind cowboy wilden worden. Maar hem is het wel gelukt. De koeien gaan naar de zomerwei, in oktober komen ze weer omlaag.

De avondzon kleurt de rode rotsen nog roder, ik geniet met volle teugen, zoals ik ook de rit hiernaartoe genoot van het weidse en afwisselende landschap.

Het was weer een mooie dag

NBU 37, Moving Ahead

IMG_4417.jpg

Het is denk ik Clint Eastwood’s schuld dat ik hier rijd. Als kind was ik erg onder de indruk van Rawhide en wilde ik cowboy worden. Met plezier zie ik dan ook het bord voor het stadje Plains: Home of cowboys and cowgirls. Als ik er binnen rijd is alleen een grote pijl voor het stadhuis getuige van al die dappere cowboys. Het cowboycafé is verlaten en verder is er deze vroege zondag niemand op straat.

Afgelopen nacht brak er een noodweer los boven Monster, dus veel slaap was er niet, maar toch op tijd vertrokken. Het landschap is geweldig, iedereen die waarschuwt dat hat saai is: Niet Waar! Geen half uur is het hetzelfde. Rond Brownfield zijn er de siennakleurige, rondgeploegde velden met ingezaaide pinda en katoen, en als druivenhoofdstad van Amerika ook veel wijnstokken. Geen bevolking tussen de spaarzame stadjes, geen reclame langs de weg, weinig verkeer. Een whitetaildeer bok loopt een paar meter met me mee langs de weg, een vrouwtjeshert kijkt mij aan als ik ergens uitstap om te proberen dit landschap vast te leggen. Wat onmogelijk is. De dramatische luchten, het rood van de aarde, het geel van het graanstro hier en daar, de vele schakering grijs en groen, de velden vol bloeiende Yucca. Het landschap verandert van plat naar heuvelig naar rollend naar plat. Halverwege de ochtend rijd ik New Mexico binnen en krijg ik een uur cadeau.

Een uurtje later ben ik in Roswell, parkeer de auto, laat mij fotograferen met de aliens in het bezoekerscentrum en bezoek het UFO museum. Een vriendelijke dame neemt mijn ansichtkaarten in ontvangst om te versturen, een koelkastmagneet bewijst dat ik in het UFO Museum was; of het bewijst dat de aliens hier echt gecrasht zijn?

Zelfs de lantarenpalen hier zijn aliens, en ik drink een van mijn weinige bekers echte thee in het Stellar Cafe met als slogan: ‘we came here for the coffee’. Alle winkels hier hebben wel ergens een groen mannetjes staan, hoewel de enige echte getuige van de crashsite beweerde: they were not green.

Daarna weer de stad uit en ik krijg op de radio piepjes: landen ze weer? Het blijkt een serieuze weerwaarschuwing voor onweer van een bepaalde klasse met veel wind, maar ik ga gelukkig de goede kant op. Af en toe geen radio hier, niemand om er naar te luisteren.

En als die er wel is begint plotseling Jim Croce aan het nummer I’ve got a name, met passende tekst. Een uur voor Albuquerque zijn er plotseling serieuze bergruggen aan de horizon. Ik zit al op een flinke hoogte inmiddels. Iedere keer bij een verandering maakt mijn hart een sprongetje, het is volop genieten. Aan het eind van de middag, als er regen dreigt, rijd ik via een stukje snelweg Albuquerque binnen en vind via mijn vriendelijke jongeman in de telefoon het adres van mijn oud collega. Ik rijd zelfs op een oud stukje Route 66 en beland in een prachtige oudere wijk van de stad. Ook hier alsof die acht jaar sinds we elkaar zagen wegvallen, we kletsen meer dan we in Irak ooit deden. Ik krijg een kamer met badkamer weer, we lopen eerst een klein blokje om, zien Jesse’s huis uit Breaking Bad. Dan een flinkere wandeling in de buurt om naar het grootste cottonwoodbos in de VS te gaan, waar we moerbeien uit de bomen eten en de Rio Grande zien stromen. ’s Avonds eten we in een lokaal restaurant, zij nog in haar golfkleren, ik in mijn reisjurk. Geen punt hier, mag allemaal. We rijden een rondje door de binnenstad om de oude neonreclames te zien en genieten van de highriders die in groepen met hun supergepimpte auto’s blokjes om rijden. We praten over onze levens en de wereld tot ver na middernacht. Ik zou hier dagen kunnen blijven, zegt ze, maar Page roept.

Mensen zijn zo aardig.

NBU 36, Prairie

IMG_4390

Als ik een bord passeer met Prairie View Cemetery realiseer ik me: die vlaktes, die bloemen, ook dat is prairie. Of juist dat is prairie. Dit is cowboyland, en dat is aan alles te merken. Van de muziek op de radio, tot de reclames voor Western Wear langs de weg en de jaknikkers en koeien in het veld. Ik ontbeet met verse blauwe bessen, Griekse yoghurt en toast met ei, deze ochtend. Mijn gastechtpaar, zeer gelovig maar ook zeer democraat, deelt met mij zijn zorgen om het land, en denkt dat 70% van de bevolking wel gelooft in duurzaamheid, klimaatverandering en dergelijke. Ze vinden de huidige president een gevaar, voor hun land en de wereld. Hier scheidt men zijn afval en Texas, zo rood als de staat is, barst van de windenergie. Zelf denken ze erover zonnepanelen te plaatsen op hun nieuwe dak.

Later die dag, als het rijke groene landschap boomlozer en droger wordt, als de jaknikkers toenemen en er overal ranches zitten, zal ik een paar keer langs en door een windmolenveld rijden. Twintig minuten lang windmolens, rondom en zover het oog reikt.

De oranjeroze rotsen piepen door de begroeiing heen en ik word erg blij van een tafelbergje dat nog wel niet kaal is, maar me toch doet denken aan Utah en haar landschappen. Plotseling zit ik in een weids landschap met aan de horizon plateaus en lange rechte wegen. Ergens schiet een coyote de weg over, later zie ik er een dood langs de weg liggen.

Waar te overnachten vandaag? Ik ben van plan om een rustplaats op te zoeken, daar mag je zonder problemen 24 uur staan. Ik wil eigenlijk niet zo ver deze dag, maar na het stadje Lampasas, waar ik mijn telefoonabonnement verleng en even de boerenmarkt bezoek en een potje honing meeneem, komt er niet veel meer langs om te bekijken, zonder erg uit de route te raken.

Om een uur of vijf vind ik het welletjes en zoek ik een plek via de Breaker app. Post zal het worden, daar is een parkeerplaats. Ik stap uit, doe wat inkopen, loop een blokje rond. Neem een ontbijtje bij McDonalds en vind dan op mijn slimme telefoon een picknickplek verderop net buiten de stad.

En daar sta ik dan nu. De generator doet pogingen Monsters innerlijk te koelen. Het verkeer raast langs, maar dat zal hopelijk afnemen. Ze zijn nog op weg naar Lubbock, ook mijn doel vandaag, maar toch even te ver voor het mooie. Morgen ligt Albuquerque binnen bereik, ook daar woont een voormalig collega, die mij zojuist haar adres doorgaf.

Ze waarschuwt voor de lange saaie wegen en wenst me daarbij sterkte.

 

NBU 35, Kajak

IMG_4318

De vogels nemen het over van de krekels, de zon laat zich nog niet echt zien. De regen en wind die Monster deden dansen zijn vertrokken. Als ik om half acht buiten kom, is iedereen nog onzichtbaar. Een half uur later komt iedereen naar buiten en begint aan de dag. Ik ben een half uur te vroeg bij de kampwinkel, waar ik een kajak wil huren. Ik ben helemaal niet te vroeg bij de kampwinkel. Er hangen voederflessen voor kolibries, die druk in gebruik zijn. Eindelijk de gelegenheid die beestjes rustig te bekijken en te fotograferen. Stipt om negen uur krijg ik een kajak, een zwemvest, een peddel en uitleg. Ik heb ooit al eens een uurtje met een kajakinstructeur over een fjord gevaren, dus het moet lukken. Op het water alleen het geluid van de vogels en de motormaaier aan de wal. Buizerds vliegen over, af en toe een reiger. Schildpadden liggen op de platte stenen in het zonnetje. Als ik te dichtbij kom plonsen ze te water en zie ik hun koppies overal. Als ik dan nog nader kom, gaan zij onder.

Op de hoge rotspunt aan het water zitten al wat jongelui, die twijfelen of ze wel of niet een flipover te water willen maken. Ik assisteer een stel dat elkaar graag op de rots fotografeert, nu zijn ze samen vereeuwigd. Ik moet vooral ook naar Oregon komen, waar ze wonen, daar is het heel mooi.

Maar hier ook. Allerlei insecten vliegen langs en landen af en toe kort op mijn kajak. Ik red een schildkever die pootjes omhoog op het water ligt. De rest van mijn tocht gebruikt hij om op te drogen en bij te komen.

Als ik na twee uur peddelen de kayak weer inlever is er een leuk praatje met de man van de winkel. Het zijn allemaal rangers, maar van vogels heeft hij geen verstand zegt hij. Nou ja, die gekke die ik een paar keer zag: dat is roadrunner. Ja, die, van de tekenfilms. Die doet dus inderdaad wat zijn cartoonbroer doet: rondrennen als een kip zonder kop. We bekijken nog wat vogelsoorten, hij wil weten waar ik vandaan kom en neemt alle tijd, zoveel Hollanders landen hier niet. Ik eet nog een restje swirl (een soort krentenbrood) en dan is het tijd om af te haken en te vertrekken. Weer door de kleine stadjes terug naar Leander, waar ik nu ruim op tijd geparkeerd sta. Niet voor de deur, want keren is dan best lastig, maar op een bredere toegangsweg waar nog bouwers actief zijn. Dit is een heel nieuwe wijk, met alles er op en er aan. Voor veel of nog meer geld koop je hier een huis of een kast van een huis, met lagere school, zwembad, wilde gebiedjes en stoepen.

Om twee uur bel ik aan en we begroeten elkaar of het geen acht jaar geleden is dat we elkaar voor het laatst zagen in het zuiden van Irak. We praten wat bij, ik leer zijn vrouw kennen en dan gaan ze met me op pad. Austin, Georgetown, Rock Roland. De nieuwe bibliotheek, iets groter dan de onze maar ook mooi, het Capitool, erg mooi in roze graniet en met een portret van Bush Jr. De universiteit, de Lone Star, wat parken. Met mijn Texaanse rijbewijs en nummerplaat, ben ik al bijna een Texaan vinden ze, ik moet alleen nog cowboylaarzen kopen hier ergens in de buurt. Wie weet, ze staan op mijn lijstje. Maar worden het dan ropers of wranglers?

Georgetown is nog zoals alle stadjes hier vroeger waren. Het gerechtsgebouw in het midden en de winkels er in een vierkant omheen. Leuke winkels ook, een heel relaxte sfeer deze vrijdag avond. We bedenken of we een Minor League baseball game zullen bezoeken, of slechts een deel er van. Of naar het zwembad om de hoek van hun huis. Na een lange en afwisselende middag en een echte BBQ maaltijd in de Salt Lick, de op een na beste BBQ plek hier, besluiten we voor een koele duik in het zwembad. Een gemengd publiek, het zwembad is van de bewoners die zich er inkochten. Je kunt je eigen muziek, drank of BBQ meenemen, je kunt er feestjes vieren, er is een gym. De sfeer is ontspannen met wat jongelui die hier het begin van de vakantie vieren. De zon gaat dramatisch onder in het Westen.

En nu lig ik hier tussen de vele kussens van de logeerkamer van weer een nieuw huis met heel lieve mensen die mij gastvrij ontvingen. De dag is heel anders gelopen dan ik gedacht had.

Life is good.