Oezbekistan 13, Fort

Als ik voor reisproviand de markt op ga zijn de kooplui druk bezig de plassen weg te vegen met platte bezems. Ik koop wat noten en gedroogd en vers fruit. De prachtige zonsopgang van de dag ervoor was er niet, maar af en toe laat de zon zich nog zien, met dramatische wolkenpartijen. Helaas de camera niet mee voor dit korte tripje, anders  had ik nog twee foto’s willen maken. We slepen onze koffers weer de trappen af, nemen afscheid van de plafondschilderaar en zijn familie en stappen bij Ali in de auto. Hij is onze gids en chauffeur deze dag. We rijden langs de gouden ring van Korchezm naar Nukus. De forten die de ring vormen, werden gebouwd vanaf het begin van de jaartelling tot ongeveer de negende eeuw. Eerst stoppen we bij een stadje in de buurt, Boston, waar een groep clowns en acrobaten op de plaatselijke markt het publiek vermaakt; vooral veel kinderen die gehurkt of vanaf hun fietsjes ademloos kijken naar de grapjes en trucjes.  We halen verse pasteitjes die voor ons van de ovenwand van de Tandoor geplukt worden.

Daarna de steppe in. Wolkenpartijen drijven over op de wind en plotseling verrijst het eerste fort uit de vlakte. Met op de achtergrond bergen en op de voorgrond wat yurts en kamelen voor het effect kun je je niet veel meer wensen. We lopen over het zand omhoog, door de harde wind. Het geeft een goed idee van het onherbergzame klimaat hier. Zomers te heet, ’s winters te koud en toch houdt men hier al eeuwen stand. De forten zijn alle drie anders en alle drie indrukwekkend. In het eerste fort eten we de verse pasteitjes, genieten van het uitzicht zo ver het oog reikt en proberen ons voor te stellen hoe het hier duizend jaar geleden was. Kort voor we in Nukus aankomen nog een lekke band door een groot brok steen op de weg, net toen de chauffeur wat verse tabak wilde gaan kauwen.

Tegen vijf uur komen we aan bij het hotel. De eerste blik op de stad komt overeen met wat de reisgids er over te vertellen heeft: een wat troosteloos geheel met als enige hoogtepunt het Savitsky Museum. Ik had nog enige hoop op Moynaq, waar ooit de Aral Zee begon en waar nu de schepen in het gras liggen, maar snel wordt duidelijk dat dat niet gaat lukken. We besluiten nog maar eens een vlucht om te boeken en halverwege de volgende middag weer te vertrekken. ’s Avonds eten we voor de afwisseling bij een Koreaan, waar mijn reisgenoten heel blij van worden maar waar ik aan mijn gewicht kan werken.

Als we na het eten thuis komen arriveert ook een van de hoteleigenaren, terug van de bruiloft van zijn zuster, duidelijk met wat wodka te veel op maar wel gelukkig. Het andere hotel zat vol. Dit hotel lijkt hoofdzakelijk bewoond te worden door familieleden, waarvan slechts een enkele een beetje Engels spreekt. Het is vernoemd naar een weidse woestijn, maar ligt naast de bouwmarkt aan een onverharde weg. De kleine taxi’s die ons keurig op tijd komen halen, zijn tot hun dak bemodderd.

 

File0869

Oezbekistan 12, Dageraad

De hemel kleurt parelmoer-roze als ik heel vroeg de hoteldeur van het slot haal. Ik heb de hele stad voor mij zelf, samen met de straatvegers. De oranje wanden, de schaduwen, de blauwe lucht: even is het er allemaal. Als ik een half uur onderweg ben, zie ik de eerste Japanner, maar druk wordt het nog niet echt. Op de markt worden de waren nog aangevoerd, de vroege klanten arriveren. Ik drink ergens thee na bijna het hele stadje rond te zijn geweest, en sommige delen drie keer vanwege het veranderende licht. Ik bezoek een moskee met honderden houten pilaren en ben de enige. Dan komt er een Oezbeeks gezin binnen en beklimmen we samen de minaret. De treden zijn zo hoog dat het geen traplopen meer genoemd kan worden en er moet vaak gebukt worden. Boven hebben we uitzicht over heel Ichon Kala en de omringende stad. Ik bekijk de madrassa’s van binnen en de koepels van boven. De onvermijdelijke groepsfoto’s worden gemaakt. Al delen we geen taal, elkaar vertellen hoe mooi het is, of hoe zwaar de tocht omhoog, hoe lastig met lange rokken dat is, hoe de knieën lijden, dat heeft geen taal nodig. Als ik om tien uur aan het ontbijt ga, is er niet alleen kaarslicht vanwege een stroomstoring maar heb ik er al bijna een halve dag op zitten. Blij met mijn keuze, want om half negen trekt het dicht en om negen uur vallen er druppels. Aan het eind van de middag regent het echt, spoelt het stof van de straten en in de vele borden en kommetjes van de majolicahandelaren hier. Met het stof spoelen ook de toeristen weg, ik vraag me af waar ze de rest van de dag allemaal blijven. We bekijken de bezienswaardigheden van binnen de rest van de dag. Als er geen hotel of restaurant in zit, is het vaak een museum. Zo leren we over de toegepaste kunsten, de handwerken, de fotograaf die hier aan het begin van de vorige eeuw alles vastlegde, de muziek, de medische geleerden inclusief Ibn Sena (Avincenna) en Al Ghorezm, die nu nog veel genoemd wordt in het computertijdperk, als we het over algoritmen hebben. Het natuurmuseum en dat voor majolica zijn we niet meer aan toegekomen. Maar nu de koffer weer op orde, de voeten en het hoofd rust, morgen weer een reisdag.

File0601

 

Oezbekistan 11, Klei

Khiva ligt in de zonnigste streek van dit land, oplettend lezertje, maar vandaag is, met de dollarkoers op de zwarte markt, ook het weer ingestort. Geen zonsopgang op oranje oostwanden dus, maar de frisse geur van klei als ik buitenkom. Ons hotelletje, een familiehuis dat gerestaureerd wordt door de eigenaar, staat pal tegen de west-muur aan. Die muren zijn behalve van tegels en stenen, voornamelijk hersteld op traditionele wijze: met stro en klei. De huizen hier ook, ze lijken met hun uitstekende dakbalken sterk op de woningen van de adobe-indianen in het zuiden van de VS. Een materiaal dat makkelijk te herstellen is, maar ook te lijden heeft onder vocht, vooral bij deurposten zie ik. De souvenirwinkels zetten hun bontmutsen buiten, de fotograaf zet de troon vast klaar, de straatvegers krijgen hun bonnetje, het toeristenbureau is nog gesloten. Verder heel stil op straat, maar de eerste groepen Oezbeken worden al rondgeleid. Oudere mannen en vrouwen in traditionele dracht die vol aandacht de gids volgen die hen van mausoleum naar heiligdom leidt. Na het ontbijt krijgen we per mail het bericht dat er de afgelopen week wat incidenten zijn geweest aan de grens met Kirgizië. Kennelijk wordt er veel gesmokkeld en de vondst van twee huizen aan weerszijde van de grens met een tunnel was aanleiding tot militair ingrijpen, ongekend hier. Men is bang voor wapensmokkel. We hebben er uiteraard niets van gemerkt, niemand heeft het er met ons over gehad, kennelijk is men zelf niet erg onder de indruk. Op CNN, wat hier aanstaat in de ontbijtkamer, gaat het over Brussel en Pakistan.
We beklimmen de muur en lopen de halve Ichon Kala rond. Dat is niet veel werk, deze historische plek meet ongeveer 2.5 km in omtrek. We kijken over de stad, op de huizen met lemen daken, binnentuinen met fruitbomen, takkenbossen op het dak, brede overdekte balkons met lage tafels om zomers te verblijven. Daartussen een overvloed aan moskeeën en madrassa’s. Na de muur zijn we aan een lunch toe. Na het ontbijt hebben we het een en ander omgeboekt en geregeld, zodat we hier een dag langer en in Tashkent een dag korter blijven. Ook een chauffeur is besproken die een dag met ons op zal trekken en ons naar de forten in Korchezm zal brengen en aansluitend naar Nukus.

We bekijken het zomerpaleis, met de eerste zomermoskee die ik ooit zag, en merken dan dat we opgesloten zijn, achter de dikker dubbele houten deur, met een groot slot. De dames die ons binnenlieten hielden het voor gezien, degene die ons de mint aanwees, was kennelijk vergeten dat wij daar nog zaten. Gelukkig is de dame die de gevangenis buiten de poort beheert er nog wel, zij ontzet ons. Anders hadden we de hele nacht in het zomerpaleis door moeten brengen (of de hoteleigenaar gebeld natuurlijk).
Bij het ondergaan van de zon laat hij zich nog even zien, we maken nog snel wat foto’s met iets meer schaduw en licht dan deze dag aanwezig was, je weet maar nooit of het morgen beter is.
’s Avonds eten we weer in het restaurantje met de plastic ramen, die zomers uiteraard verwijderd zullen zijn. Er treedt een lokale groep op, een half uurtje met toeter, harmonica, tamboerijn, twee vrouwen en twee jongens die zingen, dansen en rammelen. We spelen een bordspel aan de lage tafel. Mijn reisgezelschap gaat nog ergens dansen, ik loop terug naar het hotel. Door de centrale straat waar ik vanmorgen in alle rust begon. De verkopers en bezoekers zijn weg, de stalletjes dicht, de straat is leeg. De gevels gloeien zacht geel, met hier en daar een kleurtje. Boven mij een heldere hemel met de kleine beer. Ergens blaft een hond, een late fietser racet de west-poort uit. All is well in Khiva.

File0290

Oezbekistan 10, Taxi

Vandaag gingen er heel wat frases en gezegdes door mijn hoofd, oplettend lezertje. Zoals ‘plan the dive, dive the plan’. Of: ‘wie verre reizen maakt kan veel verhalen’. Het lied Troika van drs. P. dreunde er ook vrolijk op los. Met name de onsterfelijke zinnen: ‘Troika hier, Troika daar, kijk daar vliegt een adelaar” en ‘Ja Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg’ leken toepasselijk. En het begon zo mooi. Allemaal op tijd er uit, bagage uit onze kamer gehaald en met hulp van de nachtportier naar de overkant van de weg, waar diezelfde portier nog een taxi voor ons aanhield en uitlegde waar we heen moesten. Naar de bos karavan, de deeltaxi die ons voor een redelijk bedrag naar Khiva zou brengen, zeven uur rijden verderop. De chauffeur was een aardige kerel, die zes talen spreekt. Helaas zit daar geen enkele West-Europese bij. We wilden naar Khiva? Dan zou hij ons toch ook wel kunnen brengen? Ja, dat kon natuurlijk, dat scheelde weer overstappen, weer onderhandelen over de prijs, we zouden er nog vroeger zijn dan gepland. Dus deze auto ingehuurd. Die op gas rijdt. Het duurde vier moeilijk te vinden gashaltes voor we door hadden wat er echt aan scheelde: de afsluitende klep was niet goed, we lekten gas. Er moest, in het zicht van de haven dachten wij, naar een onderdeeltje worden gezocht, In een vreemde stad, door iemand die, net als de rest hier, niet alleen geen kaart heeft maar er ook niets mee zou kunnen. Veel stoppen en vragen is het devies. Uiteindelijk werd het onderdeel gevonden en gemonteerd. Nu zouden we toch binnen een half uur op de bestemming zijn. Drie uur later waren we er echt. Zoals gezegd, Khiva is een mooie stad maar net iets te ver weg. We hebben dus niet veel meer gezien vanavond, maar wat we zagen maakte al weer veel goed. Zoveel dat we morgen uit gaan zoeken of we ons reisschema zonder al te veel schade om kunnen gooien om hier nog een dag te blijven.

De reis verder? Ik heb drie arenden gezien van heel dichtbij, een overstekende wezel, kraaien en kwikstaartjes. Ik heb een schildpad van de weg aan de kant gezet net voor een vrachtwagen hem mogelijk had ingeblikt. Ik zag schaapherders, mannen op de fiets, kinderen met een koe aan een touw, vliegerende jongetjes, emmertjes melk langs de weg om opgehaald te worden. Een uur of twee buiten Bukhara veranderde het landschap drastisch. De fruitbomen verdwenen, de huizen ook. Het werd kaler, dorder, grijzer en bruiner. En plat vooral. De weg was een wasbord met gatenkaas, wat de chauffeur aanvankelijk tot wanhoop dreef, wat hij ook telkens in een van zijn zes talen met mij wilde delen. Net toen hij zich verzoend leek te hebben met zijn lot, bleek er een nieuw stuk aan te komen, prima betonweg. Uiteindelijk tot Urgensch was het een echte snelweg, met twee gescheiden wegen met elk twee rijbanen. Voor welk verkeer weet ik niet, maar we waren er blij mee. Nog niet alles was af, het bleef dus zigzaggen af en toe. Het landschap veranderde naar lage heuvels en we klommen ook, nauwelijks merkbaar. De kuddes werden groter, de herders zaten op ezels of paarden en hadden tegen het stof zo’n heuse zakdoek voor hun gezicht, die iedereen van mijn leeftijd zich zal herinneren van Rawhide. De auto was warm, de wind was koud kennelijk. We stopten hier een daar voor thee, gas en een pitstop. Dat moet je hier dan letterlijk nemen.

Ook bij deze stops kwamen mensen naar ons toe om te vragen waar we vandaan kwamen. De chauffeur verontschuldigde zich in al zijn zes talen, met zijn twee woorden Engels als back-up: “Misses, Sorry, so sorry!” We hebben nog geprobeerd hem ervan te overtuigen dat ’s avonds terugrijden het hele eind, met die wegen (tussen Urgensch en Khiva geen snelweg gezien, soms geen weg ook) geen goed idee was, dat hij moest blijven slapen ergens en proberen een terugvracht te vinden, maar binnen tien minuten na aankomst was hij al weer verdwenen, de nacht in. Hopelijk is hij inmiddels veilig thuis.

File8427

Oezbekistan 9, Chaz Minar

We besluiten deze laatste dag in Bukhara nog wat hoogtepunten af te werken in de buurt van het hotel. We vinden de Chaz Minar, een voormalig poortgebouw van een inmiddels verdwenen madrassa, met vier torens. Het is een vredige plek, waar de onvermijdelijke souvenirwinkel plaatselijke muziek op een aanvaardbaar volume brengt, die bijdraagt aan de bijzondere sfeer hier. Hier Iraanse toeristen, een groepje Europeanen en een stel jongelui uit Samarkand.

Terug naar het centrum via achteraf straatjes, waar we een taxi nemen om ons naar een restje stadspoort en muur te brengen. Buiten de poort een markt en een busstation. Binnen de muur een park met kermis, een dierentuintje en reuzenrad. Maar ook twee bijzondere plekken. De bron die volgens overlevering ontstond toen Job zijn staf op bevel van Gabriel op de grond sloeg, en nog een mausoleum van een beroemdheid. Bij de bron komen mensen een kommetje water drinken, bij het mausoleum gaat het ons vooral om het prachtige metselwerk, nog vrijwel in oorspronkelijke staat, op de koepel na. Buiten het park scheiden zich onze wegen, de meiden gaan op tapijtenjacht, ik zoek nog wat bijzondere plekken buiten het centrum op.

Daar is het nog rustiger maar niet minder aangenaam. Een lastige factor is dat niemand hier adressen kent, hoewel de straten goed staan aangegeven en alle huizen genummerd zijn. Plattegronden helpen ook niet. Als je niet weet bij welk bekend gebouw je in de buurt moet zijn, moet je het bij de volgende taxichauffeur nog maar eens proberen. In en onbekende stad kom je altijd ergens waar je nog niet eerder was, dus zo groot is het probleem niet en uiteindelijk vind ik het koopmanshuis dat ik zocht. Het is de moeite waard en geeft een mooi beeld hoe hier nog geen honderd jaar gelden geleefd werd door degenen die het mee zat. De kamers zijn schat ik zes meter hoog en prachtig versierd. Met de familie gingen het onder de Russen niet zo goed, van wat ik op kan maken uit de uitleg, die vrijwel nooit in het Engels is, zijn ze opgepakt en opgesloten, en ook weer vrij gelaten; maar het huis waren ze kwijt. Een tijd werd het door de staat gebruikt als school, de laatste twintig jaar is het een museum, maar nog niet alle ruimtes zijn in oude glorie hersteld. Ook dat leert iets over het land hier. Via nog meer ongeplaveide straatjes kom ik uiteindelijk weer bij de grote centrale vijver uit, waar we eten, in gesprek raken met de mensen naast ons, dansen met de vrouwen die hier vanuit andere delen van het land op vakantie zijn, en weer een goed gesprek over de toekomst van Oezbekistan hebben.
De koffers zijn dan al gepakt, morgenvroeg moeten we een deeltaxi naar Khiva zoeken.

P1110904

Oezbekistan 8, Ark

Zelfs de meiden zijn vroeg, er is veel te zien hier. Kort na openingstijd bezoeken we de Ark, de plaatselijke Citadel. Hoog torent hij boven de rest van de bebouwing uit, aan de noordwest kant van de stad. Helaas hebben de Russen hem in 1920 in puin geschoten, zodat er slechts een klein deel, voornamelijk het winterpaleis van de Khan, bewaard is gebleven. Duidelijk een stukje geschiedenis voor de Oezbeken, veel groepen kinderen worden hier rondgeleid. In het complex ook plek voor een klein archeologie museum, een voor kalligrafie en numismatiek, iets over natuur en water, en een goed beeld van hoe de ruiters er uit zagen. Alles wat ze meenamen werd mooi ingepakt, in leren en tapijten hoezen, liefst met kwastjes. Daarna is de Kalom moskee aan de beurt en zijn minaret. Die laatste heeft Djengis Khan zelfs overleefd, die vond dat hij zo groot was dat hij gespaard moest blijven. De bijbehorende moskee werd met de grond gelijk gemaakt. Nu staat er een nieuwere, die altijd nog vierhonderd jaar oud is of zo en ook de moeite waard.

Met de plattegrond in de hand gaan we de bijzonderheden hier langs, bekijken een hammam, maar keuren hem af voor eigen gebruik, worden door iedereen gedag gezegd, lunchen in het centrum naast de centrale vijver. Die vijvers zijn samen met het stelsel van kanalen typerend voor deze stad, er waren er ooit honderden. Nu vind je ze nog wel overal, maar vaak staan ze droog. Het ritselt hier van de moskeeën en madrassas, passend voor een heilige stad. Veel is er hersteld en wordt gebruikt voor hotel. Ook ons eigen boetiekhotel is in zo’n voormalige madrassa gevestigd, we slapen in de kamertjes van de leerlingen. De deurtjes zijn 1.40 hoog, en hoewel dubbel, niet erg breed. De badkamer is vroeg 21ste eeuw en laat niets te wensen over (hoewel een stop in het grote bad handig zou zijn). Aan de foto’s in de receptie is te zien hoeveel werk er is gaan zitten om van een bouwval weer iets moois te maken en dat gebeurt overal in de stad. Er is nog heel wat op te knappen, maar dat gebeurt dan ook in traditionele bouw, met echte gele steentjes. We zwerven rond om het centrum, drinken af en toe thee, besluiten ’s avonds weer aan de vijver te gaan eten. Wel met de jassen aan, maar dan kun je genieten van de vogels die zich hier verzamelen in de slaapbomen, de bruidsparen die nog wat avondfoto’s komen maken en het veranderende licht. Waar eerst de hemel roze is en de gevel tegenover mij blauw, wordt de hemel nachtblauw en kleurt kunstlicht de gevel zachtgeel. Combineer dat met een prima maaltijd en een goed gesprek met een net uit de VS teruggekeerde Oezbeek die wat meer durft te zeggen dan dat het hier geweldig is, en je hebt een perfecte avond.

P1110541.jpg

Oezbekistan 7, Kampioenen

Mijn reisgenoten hebben behoefte aan uitslapen, ik wil er nog uithalen wat er in zit en ben vroeg op pad. Naar het restje observatorium dat hier in de vorige eeuw gevonden is. Ulugbek, kleinzoon van Timur, liet niet alleen prachtige moskeeën en madrassas bouwen, hij was ook zelf geleerde, astronoom onder andere. Hij liet een reusachtige sextant op een heuvel bouwen en maakte lijsten van sterren en hun posities, die over de hele wereld gingen. Ook verzamelde hij wetenschappers om zich heen, zodat er een ware school ontstond. Terecht is er dus een kratermeer op de maan naar hem vernoemd, waarin zelfs de eerste landing op de maan plaatsvond en de voetstap gezet werd, als ik met niet vergis. Verder heeft Samarkand een maan van Saturnus naar zich vernoemd gekregen, nog niet zo lang geleden. De astronomie is hier nog steeds van belang. Een klein museumpje geeft uitleg over dit alles, met veel boeken en prenten in een rond gebouwtje. Het observatorium zelf kun je van bovenaf in kijken: een reusachtig driedimensionale gradenboog is er te zien. Voor een ex-zeevarende toch een leuke ervaring. Dat het beeld beneden aan de trap sterk lijkt op alle andere beelden hier van Timur, mag de pret niet drukken, op het bordjes staat duidelijk wie het is.

Tijd genoeg nog voor Gur Amir, het mausoleum van de grote Timur zelf. Een zeer sterk gerestaureerd gebouw, met in de wanden af en toe een plekje origineel om te zien hoe het was. Met veel minder goud dan er nu blinkt in ieder geval. Ook hier van de lokale bevolking niets dan respect. Timur en negen anderen liggen hier. Voor de vrouwen is er een mausoleum verderop. Kleine tombes (eigenlijk alleen de steen) voor de baby’s of jonge kinderen, een jade steen voor een grote meneer, Timur zelf met een mutsje er op voor het onderscheid, maar verder een gladde kale tombe. De poorten zijn weer overweldigend en ik kan de bus Belgen die net landt voor blijven, of zij mij, want als ik naar buiten kom is de bus al weer weg. Dan haastig hompelend terug naar het hotel (eergisteren bij het Kopkari mijn enkel zeer verzwikt) , koffer in de taxi en naar het station. Daar komen steeds meer bloemstukken aan, staan er camera’s, heerst er een sfeer van verwachting. Men heeft het goed gedaan bij het wereldkampioenschap boksen in Thailand, zeven kampioenen keren terug naar Oezbekistan, waarvan zes naar Samarkand. Ze krijgen een waardig welkom, met vlaggen, lokale muziekband met heel lange toeters en trommels, een interview voor de plaatselijke tv en familie. Naar zo’n drie uur reizen door een vlak leeg landschap krijgt nummer zeven net zo’n ontvangst in Bukhara, met een kleinere band, dat wel.
We worstelen ons door de taxichauffeurs, kiezen er eentje uit die ons naar het hotel rijdt en zetten snel de bagage weg om nog wat uren te genieten van de stad. Het centrum is een en al monument en zachtgele baksteen. Als in de late middag de zon zich laat zien, na een grijze dag, kleuren de wanden warme geel-oranje en schieten wij veel plaatjes. Het is rustig op straat, het toerisme is ook hier nog niet vol losgebarsten, dat duurt nog een maandje gelukkig. De stalletjes met veel lokaal textiel, ijzersmeed-producten en majolica zijn er al klaar voor, een kleed is hier ook wel te vinden. Ik geniet vooral van de bijzondere architectuur en de rustige sfeer hier.
P1110387

Oezbekistan 6, Shah-I-Zinda

Soms kom je op een plek, oplettend lezertje, waarvan je denkt: hoogtepunt van de reis, dit is het. En dan komt er iets wat het evenaart of overtreft. Zo’n plek is Shah-i-Zinda. Een route van mausoleums. Ik had de beschrijving gelezen, maar je kunt je er geen voorstelling van maken. Maar laat ik het samenvatten: blauw in alle tinten.

Deze plek is voor de regio een pelgrimsoord, de brenger van de Islam zou hier begraven liggen. Dus traptreden tellen en gebeden uit laten spreken. Of zelf doen natuurlijk. Maar bij de ingang en de meeste belangrijke mausoleums zitten mannen die dat voor je doen, je hoeft er alleen maar naast te gaan zitten. Het geeft deze plaats een bijzondere sfeer. In groepen lopen hier vooral bezoekers uit de regio langs, mannen, vrouwen en heel veel kleine kinderen, soms aan de borst. Af en toe wil er iemand met je op de foto. Wij zijn exotischer voor hun dan zij inmiddels voor ons. Hier en daar wat Europeanen, maar niet veel. Het complex ligt tegen de heuvel op, en de koepels variëren in grootte, het is alles bij elkaar een wow-ervaring. Je blijft tegelpatronen fotograferen.

Bij de ingang zit een vrouw amuletjes te rijgen. Een hoefijzer, wat rode pepertjes, het blauwe oogje. Of een streng kruidnageltjes aan een veiligheidsspeldje. Voor de katholieken onder u: denk aan zo’n klein Mariaatje op je hemd vroeger. Wel bijzonder, omdat die amuletten en Islam eindelijk niet samengaan, zeker niet bij de Sunnieten. Kennelijk zijn hier ook Shia, of ze trekken zich niets aan van het bord boven de ingang dat zegt wat er allemaal niet en wel mag. Zo ligt er hier en daar geld op de graven, dat vrolijk meegenomen wordt door de gebedenzangers, terwijl dat toch duidelijk niet mag. Islam light heet het in Oezbekistan. Ooit verboden de Russen de oproep van de moskee, en hoewel de Russen het officieel niet meer voor het zeggen hebben, heeft niemand de behoefte gevoeld dat te veranderen. Het grootste deel van de dag brengen we door op dit complex, daarna voor een lunch weer het centrum in, wat ansichtkaarten kopen voor thuis, waarbij de postzegels inmiddels op zijn. Dan opfrissen en nog maar eens een restaurant bezoeken. Mijn reisgenoten zijn tevreden, zelf ben ik minder onder de indruk van het eten. Er is uiteraard muziek, live dit keer. Alles komt voorbij: Frank Sinatra, de lokale traditionele muziek, een breakdance groep met lichteffecten. Iedereen wordt geacht de dansvloer op te komen, je beroepen op een verzwikte enkel heeft geen enkele zin, iedereen gaat los. In onze B&B drinken we nog een laatste thee, zetten foto’s over, maken plannen voor morgen, een reisdag. Dan is het voor iedereen licht uit, de laatste nacht in deze stad.

P1110082.jpg

Oezbekistan 5, Kopkari

U heeft er vast wel eens een plaatje van gezien, oplettend lezertje: woest uitziende mannen op paarden die elkaar een geitenkarkas betwisten. Dat bestaat dus echt. In maart rond Nieuwjaar en in oktober zijn hier in de burut competities. Al ruim voor we op de bewuste plek aankwamen was het duidelijk: hier gaat iets gebeuren. Overal op de lage heuveltjes stonden paarden, liepen mensen, op de weg reden mannen met hun paarden, daar tussendoor wandelaars, motors, auto’s. Als achtergrond de sneeuwbedekte toppen van het grensgebergte met Tadzjikistan. Het spel werd gehouden op een vlakke, met grote ronde kiezels bedekte bodem van een wadi; rondom op de rand, die van 4 tot 10 meer hoger was begon het vol te lopen met mannen. Kopkari is geen vrouwenspelletje. Veewagens met aanhangers stonden aan de westkant opgesteld, op het dak meer mannen en jongens, inclusief het theekomfoortje. Achter de auto’s de paarden, in de heuveltjes daarboven allerlei eetstalletjes en op de grond de picknickplekken.

We keken onze ogen uit, fotografeerden er op los en zochten na een tijdje een plek die naar wij dachten gunstig voor de zon was. Het spel zou enige uren duren. We bleken bij het doel te zitten. Steeds meer paarden en hun ruiters verzamelden zich en plotseling was er daar een geit die bevochten moest worden. Het bleek de warming-up te zijn. In een onverstaanbaar Oezbeeks deed de speaker kond van het spel, het slachten van de geit ter inwijding van het begin van het spel, een kort gebed en toen ging het echt los. Het leek een chaos, maar er zijn regels. Die komen er op neer dat die geit op de doelplek gedropt moet worden. Er staat ook wat op, ze spelen niet alleen voor de eer. Per keer kon er wat gewonnen worden. Een mooie ram met krullen, een veulentje van en jaar of twee, een zo goed als nieuwe Lada waarvan de accu gewisseld moest worden om hem weer van het terrein af te krijgen, een hele serie tapijtjes. Die kwamen goed van pas. We zaten tussen familieleden van een van de winnaars, het tapijtje werd naar boven doorgegeven, opgerold en wel, en wij kregen er een comfortabeler zitplaats door. Halverwege de middag kwam de gids tot de conclusie dat onze auto’s ingebouwd stonden en vertrekken geen optie was. We aten wat bij de lokale stalletjes (werd ons van harte afgeraden door de gids) en kregen een zonvrij onderkomen in een boerderij, met kopjes thee. Inmiddels had ik de kleur van een kreeft benaderd. Op een geven moment stoof er een bende ruiters de holle weg naast de boerderij op, op jacht naar de geit. In de mêlee werd de deur van een geparkeerde auto ingedrukt en we verwachtten nog enige uren te moeten blijven. Maar twee minuten later kwam iedereen de weg op. De prijzen waren op, het spel afgelopen en publiek en ruiters vertrokken weer. De winnaars met hun prijzen achter zich aan een touw. Er doen zo’n twee tot driehonderd ruiters mee per keer, het wordt gepeeld in maart en oktober. Voor toeristen hoeft u niet bang te zijn. Wij waren er met zijn vijven, met de twee Belgen die we troffen bij het weggaan maakte dat zeven buitenlanders. Het is de belevenis van het jaar en de wodkaflessen in het gras maakten duidelijk dat men er helemaal voor gaat. De gids was wat benauwd dat een stel blonde jonge meiden (niet ik natuurlijk, mijn reisgenoten) het moeilijk kon krijgen, maar buiten wat huwelijksaanzoeken bleef het gezellig. Als er meer prijzen zijn, het spel langer doorgaat en de gemoederen door drank en warmte nog verhitter raken, dan kan het er rauw aan toegaan. Wonder boven wonder raakte er niemand echt gewond. De aanvallers, de mannen die altijd midden in de mêlee zitten, droegen Russische tankhelmen. De jongere en oudere ruiters houden zich buiten het centrum en de scheidsrechters leggen het spel stil als het nodig is. Maar wat je ziet is een briesende, malende massa mannen en paarden. Prachtig! Misschien niet de mooiste dag uit mijn leven, maar zeker een die ik me zal herinneren over dertig jaar.
P1100663

Oezbekistan 4, Registan

Een uitstekend ontbijt weer hier, boekweit met bonen en een spiegelei, pannenkoekje met abrikozenjam, en voor wie er dan nog honger heeft is er brood, kaas, worst en boter. De eigenaar vertelt mij dat het serviesgoed hier niet alleen typische kleuren heeft, ook de afbeeldingen zijn een symbool voor Oezbekistan: de bloemen van de katoenstruik worden afgebeeld. Katoen is een kurk voor de economie hier, en de oorzaak van het verdwijnen van het Aral Zee. Al dat water dat nodig is voor de katoenteelt moet ergens vandaan komen. Na zo’n hartig ontbijt kun je de Registan wel hebben. Een complex met wortels uit de vroeg vijftiende eeuw. Een madressa was uit die tijd over, die van Ulugbek, wetenschapper en astronoom, en heerser van Samarkand. In de vroeg zeventiende eeuw werden er twee madressas bijgebouwd. Als je de foto’s ziet van een honderd, honderdvijftig jaar geleden, dan verbaas je je erover dat er hier nog wat staat, laat staan zo’n indrukwekkend complex. Er was een tijd, na dood en verderf door o.a. aardbevingen, dat Samarkand bijna onbewoond en totaal in verval was. De restauratie die dit complex heeft ondergaan heeft vaak meer weg van herbouw. Maar wat er staat is toch prachtig, en als het maar lang genoeg staat, lijkt het vanzelf weer ouder.

De Oezbeken zijn een dagje uit en bekijken hun eigen monumenten. Hele gezinnen zijn onderweg, op hun paasbest gekleed. Ze willen graag met ons op de foto, dus kunnen wij ook makkelijk foto’s van hen maken. Met elkaar een gesprek voeren is vaak lastig, maar samen lachen en elkaar een goed Nieuwjaar wensen, dat lukt altijd.

Na een paar uur bewonderen, slenteren en fotograferen is een binnenplaats met fluitende vogels een verademing. Daarna op zoek naar lunch. In een chaixona nemen we thee, een vers rond brood (met mooi patroon), een heerlijke soep van ossenstaart groente en aardappelen. We kunnen er weer even tegen, na dit loungelunchen, want het eten genieten we op brede bedden met in het midden een tafeltje, waar je op je gemak de beentjes kunt strekken. Daarna naar de markt, waar we zien waar die staart vandaan komt. De kop van de eigenaar ligt er nog en wordt vakkundig ontdaan van zijn vel. Verderop de groentemarkt, met veel verse fruit, groente, meer brood, nootjes en tuinplanten. Druk met klanten is het niet erg, de kooplui hebben tijd voor een telefoongesprek.

We duiken de Joodse wijk in, vinden wat kleine oude moskeetjes, een hommomi en de enige (nog werkende) Joodse synagoge. De rabbi wordt gebeld door een behulpzame buurtbewoner en leidt ons graag rond.

Daarna weer langs de vliegeraars terug naar het hotel, het voelt al bijna als thuis. ‘s Avonds werpen we nog een blik op de Registan, eten lokaal en eindigen met de Oezbeken op de dansvloer.

P1080440