Wie verre reizen maakt…. 27, Suwon, niet Icheon, 25 september

IMG_0722

Was ik toch bijna een van mijn slogans vergeten vandaag. Het plan was Icheon vanwege de ceramiek, het celadon dat mij doet watertanden. Het was mar tweeënhalf uur rijden. Nou, dan kan ik ook wel even via Suwon, daar lunchen, de vesting en de poort bekijken, dan halverwege de middag Icheon en wie weet gelijk door naar mijn laatste bestemming, oost daarvan. Maar ja, ik had buiten de maan-maandag gerekend. De tolweg was vol, de snelweg was vol, de bijwegen waren vol of ik zat niet op de goede bijweg. De tolweg was gratis, ik had het kunnen weten. Waarschijnlijk als goedmakertje, of was het de reden dat werkelijk iedereen dacht: naar Suwon! Onderweg staan niet alleen overal stalletjes en wagentjes met kastanjes dit keer, (wat moet je anders ook met zo’n lange invoegstrook?), maar ook overal groepjes takelwagens bij elkaar, als gieren wachtend op wat ze weten dat met zoveel traag verkeer moet komen.  Te laat hoorde ik dat vanwege die feestdag veel attracties en monumenten gratis toegang hadden of een aangepast extra feestelijk programma, en dat, volgens de Koreaan in ons midden: “traffic hell” zou zijn “to touristic destinations”. Dat wist ik dus pas toen ik, na bijna zes uur onderweg en bij het verkeerde monument uitkomen, weer 14 km de andere kant op, in een parkeerfile kwam. De Efteling op een voorjaarsdag met kaartjes halve prijs, zoiets. Gelukkig stonden de trommelaars en trompetters voor het paleis op het plein, dus horen kon ik ze wel, die laatste 200 meter en anderhalf uur. Want dan zal ik er komen ook. De poort die iedereen lokt had ik al gepasseerd op de rotonde hier naar toe. Uiteindelijk krijg ik een plekje dat eigenlijk geen plekje is, maar de mevrouw van het parkeerterrein snapt ook dat het vier uur is en de tijd gaat dringen. Gefrustreerd en zonder nog een snippertje begrip en geduld ga ik het paleisterrein op in de hoop snel het fort te kunnen bereiken. Dat lijkt helemaal niet zo indrukwekkend, die lage muurtjes, is dat alles? In mijn halve woede het kaartje natuurlijk niet goed bekeken. Ik kijk even rond, luister wat naar de trommels en het snerpend gezang dat door het publiek hoog gewaardeerd wordt; ik bind een wens aan het touw voor de heel oude en dus heilige boom. Dan ga ik hulp zoeken bij het toeristen informatiebureautje. Die staan hier altijd waar je ze nodig hebt, de dame aan de balie spreekt Engels. Dat is bemoedigend. Toch kost het nog heel wat moeite haar uit te leggen dat ik zeker wil weten dat het adres dat ik zoek klopt, want ik krijg op die naam wel heel dichtbij hotels aangeboden van booking.com. Het zou toch een uur rijden zijn? Maar met veel zoeken, en haar googlefoto van een park, besluit ik dat het hotel dat ik al weer had geannuleerd toch op de goede plek staat. Ik zit al vlak in de buurt, 15 km hoogstens. Nu het zeker is dat me eigenlijk niets meer kan gebeuren, komt er rust. Ik drink een grote kop Darjeeling bij Tomntommies, met een met rundvlees gevulde pretzel. Ja, ik wist ook niet dat ze bestonden, maar het was heerlijk op een lege maag. Opgeknapt word ik zo brutaal dat ik terug loop naar de poort op de rotonde, zo ver kan het niet meer zijn, en wat kan het schelen, dan rijd ik maar weer in het donker. Dan blijkt dat de vesting natuurlijk van poort naar poort loopt. Een straatje naar links en ik sta niet alleen midden op een marktplein met kraampjes en stalletjes en een heel overdekt marktgebied, ook zie ik nu de stadsmuur, de brug over het water, het wachtersgebouw, nog een poort, de waterlinie. Het valt allemaal op zijn plek. Hier wordt gewandeld zo in het avondlicht, als de hitte van de dag weg is en de muggen nog slapen. En ik bedenk me mijn slogan: alles komt altijd goed, soms duurt het iets langer. Ik schiet wat plaatjes, ik loop naar de overkant en vooruit: die heel hoge trap naar boven, ik doe hem gewoon. Ik verwacht voorbij het paleis uit te komen, maar na een wandeling die velen in de ze stad kennelijk graag maken sta ik uiteindelijk op het parkeerterrein waar mijn wagen, braaf maar met zeer lege tank, op mij wacht. Ik tank, ik zet de routeaanwijzing aan, en inderdaad, binnen een half uur zie ik mijn hotel, gehuisvest in een grote toren. Als bij toverslag vind ik ook een parkeergarage, vermoedelijk die van de buren, maar wat kan het schelen. Bij Johannes 3:26 zal ik hem morgen wel vinden.

Icheon, nee, dat heb ik niet gehaald, en zal ik deze reis dus ook niet halen. Want Suwon is een mooie stad, maar net iets te ver weg.

Wie verre reizen maakt…. 26, Jeonju 24 september

IMG_0587

Voor het eerst zonder airco geslapen vannacht en wakker geworden om nog een shirt aan te trekken. Heerlijk! Heel vroeg er uit, alles is nog stil en dicht als ik buiten kom. Het vooroudercomplex van de Jeosun dynastie bezocht, de stille straten en huizen bekeken, langs de rivier naar een paviljoen gelopen. Zoals ik kris-kras door dit land reis, zo weef ik heen en weer door dit stadsdeel. Zodra ik de hoofdstraten bereik kom ik weer in de drukte, de gekte van het foto’s maken in traditionele dracht. Twee straatjes daarachter is er niemand, zijn er doorkijkjes, is er oog voor detail. Ik lunch zoals de meesten hier, koop een soort koude dimsums die ik verorber op een bankje voor de paleismuur. Halverwege de middag heb ik gezien wat er toegankelijk was, niet alles is deze feestelijke volle maan-maandag open. Mijn behoefte aan echte thee is gestegen, mijn verzadigingspunt voor Hanokdames even bereikt. Ik stap het Hanok deel uit, top mijn theïnegehalte op bij Starbucks en ga de nieuwe stad in. Ook hier is het leuk, laag, straten met bomen. Even denk ik dat alles dicht is, maar dan komt er, naast een groot oud complex, toch weer een winkelwijk, met voetgangersvriendelijke gebieden, veel mode, veel film, veel reuring. Maar zonder Hanbok. Op deze dag is er ook op een plein een altaar ter nagedachtenis aan studenten en hun leraren die vier jaar terug bij honderden omkwamen toen hun ferry zonk. Daar is het deze maandag de dag voor. Deze avond in het journaal beelden van familieleden die met de boot naar die plek gaan en rijstwijn in het water schenken. Ook op dit plein een beeld dat herinnert aan de seksslavinnen in WWII. De verhoudingen tussen Koreanen en Japanners zijn complex, leer ik van mijn gastheer. In sommige streken wil men niets van ze weten, in andere streken is de cultuur erg vermengd en probeert men dat er uit te krijgen, in andere gebieden neemt men het wat luchtiger op. Als ik weer behoefte aan rust en thee heb, ga ik terug naar mijn kamertje en tref daar de gastheer, we voeren een goed gesprek. Hij krijgt veel Europeanen hier, maar Nederlanders ziet hij zelden. Terwijl dit zo’n prachtig, gastvrij en goed bereisbaar land is. En iets goedkoper dan Japan. We hebben het over de veranderende wereld, hoe mensen nu hier net als bij ons minder kinderen hebben; kleiner willen wonen, omdat de energierekening in dit klimaat zo hoog is, je betaalt meer voor een kleinere flat dan een grotere, vrijstaande huizen zijn helemaal niet te doen qua airco en verwarming.

Ik zet een kop thee, ik zit op mijn stoepje. Nog even dan is de zon onder en ga ik op jacht naar de volgende maaltijd. Als de muggen in te grote aantallen opkomen, ondanks de goudvis die de gastheer in het waterbakje naast mijn deur overzet, ga ik naar binnen, achter mijn papieren deuren. Morgen naar Icheon, waar mooi Celadon gemaakt wordt, richting Seoel. Het einde van de reis is in zicht.

Wie verre reizen maakt…. 25, Tonggok, 23 september

IMG_0335

Rustig is het op straat als ik deze zondag van het hotel naar Tanggok loop, zo’n twintig minuten van mijn hotel. De winkels zijn nog dicht, het verkeer van gisteravond is tot stilstand gekomen. Tanggok is de VN erebegraafplaats waar buitenlandse soldaten liggen die vielen in de Korea-oorlog. Daar liggen ook 117 van de 124 gevallen Nederlanders, allen van het Van Heutz Regiment. Het is een indrukwekkende plek, ik ga de Nederlandse graven langs, ze krijgen allemaal een klein Nederlands vlaggetje. Dat wordt toegestaan, want eigenlijk mag je niet op het gras en er is voortdurend controle. Om tien uur is er, als elke dag, het ceremonieel hijsen van de VN vlag. Ik ben de enige toeschouwer. Sommige landen lieten eigen monumenten plaatsen. Zo ver gaat Nederland niet, alleen een plaquette van de KM ligt er buiten de grafstenen voor al die jongens. Dan staan hun namen nog  in de muur van herinnering. Een halve marmeren plaat nemen we in. Ook bij de muur water, een vlam. Bomen, gras, struiken in bloei, een leeg veld voor de onbekenden, degenen zonder gekend graf. Een kleine hal met foto’s en verhalen. Van mensen die nog ieder jaar geld sturen voor bloemen op verjaar- en sterfdag van hun gevallene. Kleine fotootjes, brieven, het verhaal achter sommige monumenten.  Ik kom een jonge Koreaanse tegen die mij aanspreekt en vraagt waar ik vandaan kom. Ik antwoord Nederland, zoals wij het zeggen, zo zegt men het ook in Korea. Ze is met een Turkse vriendin hier, die deze plek ook wilde zien, er liggen heel veel Turken hier. We willen met elkaar praten, maar het lukt niet, de plek staat het niet toe. Na een kleine twee uur loop ik terug naar mijn auto. Ik heb het plan de kustroute te nemen, die erg hoog wordt beoordeeld in de gids. Maar als je niet op de snelweg blijft, is het, zeker als chauffeur alleen, niet te doen. Je rijdt ook steeds weer door bebouwd gebied, en dat is hier weinig aantrekkelijk. Ik zie een paar adembenemende vergezichten en indrukwekkende bruggen, ik raak nog aan het weggetje met de tempel die ik zoek. Maar soms vind je niet wat je zoekt, maar vind je wat je niet zocht. Ik besluit bij een klein cafeetje te stoppen voor thee, op het terras. Er is citroenthee, ik krijg er twee bloemetjes bij. Dan beraad ik mij. Wil ik deze route verder modderen, in de wetenschap dat ik die stranden of niet, of pas een dag later bereik? De tijd wordt krapper. Ik kies voor Jeonju, dat Hanokdorp staat op mijn lijst. Ik rijd nog een stukje naar boven, in de verwachting die tempel te zien, maar vind een plek met een Mariabeeld, een kruis, bloemen en bijzondere vlinders. Ooit stierven hier Koreanen voor hun geloof in de westerse god. Dan terug naar de snelweg. De snelweg gaat omhoog, letterlijk en figuurlijk, naar het noorden en de bergen in, waar ik soms haast over de toppen rijd. Alleen maar bergen in alle kleuren blauw-groen-zwart. Af en toe grillige vormen die opduiken en weer verdwijnen. Geboekt heb ik in een Hanokhuis, een traditioneel Koreaans wooncomplex in een dorp. Als ik daar aankom weet ik dat ik de juiste keus heb gemaakt. Het is een dorp dat veel Koreanen trekt, een soort ja, wat eigenlijk. Waar gaan wij Nederlanders heen om onze traditie te beleven? Het Enkhuizer Museum komt het dichtst in de buurt. Hier lopen hele families in gehuurde Hanbok kleding. Ondertussen wordt het moderne vermaak niet vergeten. Tuk-tuks, Segways, golfkarretjes, elektrische scootertjes, alles wordt vehuurd. Overal kun je eten, drinken, zoetigheid kopen in bizarre verpakkingen. De hand kan gelezen. Het is een circus, maar er hangt een opgewekte en toch rustige stemming. Hier en daar wordt muziek gemaakt, luisteren de mensen op bankjes. Kinderen jengelen om zo’n prachtige lichtgevende ballon. Ik zoek een tentje om te eten en ik maak een weer gelukkige keus. Vraag niet hoe het heet, en ik heb de inktvis uit het menu laten halen, maar het was heerlijk. Dan loop ik nog wat vierkantjes, tot ik niet meer precies weet waar ik ook weer mijn kamertje vind. De zon ging al vlammend onder, de bijna volle maan, voorbode van feest hier, staat al boven de bomen. Uiteindelijk vind ik weer de ingang het Hanokdorp in , waar rust heerst, niets is, alleen de huisjes en tuinen. Hier zal ik twee nachten overnachten op een futon, ik kan de vloer verwarmen als ik dat wil, mijn stoel heeft geen poten, de ramen zijn beplakt met papier. Maar er hangt een tv, er is een moderne badkamer, het is er hoog, en schoon en licht.

 

Wie verre reizen maakt… 24, Haeinsa en dan, 22 september

 

24, Haeisan en dan.....jpg

Vandaag heb ik denk ik alle verkeersregels overtreden die ze hier hebben. Dat kwam zo. Was het gisteren regen, vandaag straalde de zon tot 27 graden de hele dag door. Mooi weer voor het ritje door de bergen naar het westen. Haeinsa, weer een Unesco werelderfgoedplek, stond op het programma. Om half twaalf was ik al aardig in de buurt, maar voor ik de juiste parkeerplaats had, was ik een half uurtje vragen verder. Ik had ook niet verwacht dat de tempel dezelfde oprit had als het tempelvormig winkelcentrum aan de weg. Een aantal jonge mannen had dezelfde fout gemaakt als ik, maar gelukkig spraken zij wel Koreaans en reden ze mij netjes voor naar de juiste plek. Dan nog een halve kilometer de berg op. Haeinsa staat al zo’n twaalfhonderd jaar en bewaart de Triptana Koreana, de op 80.000 houtblokken geschreven geschiedenis van het land tot aan het begin van die tempel. Overigens de tweede set die hier staat, de eerste werd verbrand bij een vijandige aanval kort na vervaardiging. Ook is het een plek waar je een dagje met de monniken en nonnen mee kan lopen, buigen, mediteren.

Borden leggen uit dat je door drie poorten gaat voor je het tempelterrein zelf betreedt en dat dat 33 treden nodig heeft, evenveel als stappen naar verlichting. Bij de derde poort sta je dan in het Nirvana. In dit geval vormgegeven door een infobureau rechts, een souvenirwinkeltje links en een book/gallery/coffee plek tegenover je. Rechts zijn de gebouwen voor de tijdelijke tempeliers, de rest van het benedendeel is dan gevuld met verschillende tempels. Prachtige, soms met mooi bestorven kleuren, de houten en zeer vergulde Boeddha’s hebben veel overleefd de afgelopen eeuwen. Ik ga na een kopje citroenthee en een taartje de eerste tempel binnen en zit daar een kwartiertje te genieten van de omgeving, de rust en da andere bezoekers, variërend van de non van dienst, via tijdelijke bezoekers, tot Koreaanse families. Een dame verontschuldigt zich uitvoerig, ze had mij de verkeerde weg gewezen, realiseerde ze zich toen ik al weg was.

Dan door naar het hoogste niveau, de Tripitana. Die wordt bewaard in een aantal gebouwen met lemen wanden en vloeren, ongeverfde houten dragers, balken en kozijnen met houten latten. Er in mag je niet en er staan opvallend veel brandblussers. Als je hier en daar naar binnen gluurt kun je de houtblokken, zo’n 25 cm hoog en dubbel zo breed, keurig genummerd als boeken in het gelid zien staan. Het leem en de latjes houden de temperatuur en vochtigheid goed, al eeuwen. Ergens staat een voorbeeld achter glas, de sutra die het bevat ligt er uitgeprint naast. Niet te koop helaas. Als ik na alles bekeken te hebben al bijna weer weg ben, al die 33 treden weer terug naar beneden gelopen, krijg ik een telefoontje. Mijn vrienden staan op het binnenplein, via de zijdeur binnengekomen, zij blijven een dagje bij de monniken. Even later arriveert ook het bruidspaar en zeggen we allemaal nog een keer hallo en tot ziens. Dan ga ik echt weg, Hoe aantrekkelijk de omgeving met zijn prachtige oude bomen en zijn ratelende spechten ook uitlokt tot een wandeling. Ik heb nog maar weinig dagen te gaan, en ik wil toch naar Busan, hoewel ik weet dat het weer een radeloze rit door een veel te grote en volle stad wordt waar weinig moois aan is. Toch ga ik want Tonggak wacht. Het eerste stuk naar het zuiden rijd ik omringd door de bergen; zwartgroen tot grijsblauw begeleiden ze mij op mijn weg omlaag. Na een uur zit ik al weer in het zaterdagverkeer rond Busan. Maar ook dan leer je een land kennen, wellicht meer dan door al die toeristische hoogstandjes. Ik rijd langs het eerste verkeersongeval. Takelwagens staan al klaar, politie ontbreekt en het verkeer regelt zich met minimale vertraging keurig zelf. In Busan rijd ik af en toe op een verhoogde snelweg, die onder mij een laag heeft, en boven mij nog twee. Af en toe kijk ik zo op de daken van de zeer hoge, slanke woontorens waar deze stad en dit land vol mee staan. Af en toe ben ik te laat of aarzel ik wat te doen, je wordt er altijd tussen gelaten. Maar mijn gestelde doel haal ik niet, het wordt donker, het is druk, ik mis een keer een afslag en moet dan twee tunnels door. Ik geef het op, rijd de tunnels weer 10 km terug, ga van de snelweg af, zie de gouden McDonalds tekens, stop, eet een burger omdat ik geen idee heb waar ik ben. Dan even wat op het wereldwijde web en ik weet: morgen ben ik binnen een paar minuten op mijn bestemming, ik heb een hotel al even dichtbij, en ik blijk aan de rand van een drukke winkelwijk te zitten waar de zaterdagavond is losgebarsten. Zo komt het altijd weer goed uiteindelijk. Maar wat ben ik blij met mijn wifi-ei!

Wie verre reizen maakt…. 23, Daegu, 21 september

IMG_0206

Wat een druilerig regentje was toen ik vertrok, waren pijpenstelen toen ik op mijn eerste bestemming aankwam. Weer met een kleine omweg want het blijft lastig het adres zo in te voeren, dat Kaarten, Google Maps of mijn navigatiesysteem weet waar ik heen wil. Dat is vandaag een bronswaren museum. Een schenking van een grote bronsmeester staat daar centraal; het hele maakproces van de voorwerpen die hier al eeuwen heel kundig worden gemaakt, wordt zeer educatief uitgelegd. Zelfs voor mij te snappen, en voor die vier klassen kleintjes die er ook zijn en mij allemaal gedag zeggen. Een jongetje zit op zijn hurkjes om een hoekje naar mij te kijken, in plaats van op de juf te letten.

Hier in Korea werd en wordt dat brons gebruikt voor de vele kommen, schalen en bakjes die er nodig zijn bij een beetje goede maaltijd. Vooral bij feest-, treur- en offermalen heb je er heel wat nodig; en dan nog de stokjes, keteltjes voor de thee, en de bladen en blaadjes om een en ander op te zetten. Wil je zo’n set aanschaffen dan ben je vele duizenden euro’s verder voor een goede kwaliteit. Ik houd het bij één schaaltje, kies voor de lichtste, die ook nog eens van de  betere meester blijkt te zijn volgens de verkoper. Die het weten kan, want hij staat met hem op de foto. Het zal vast goed staan op het haardplateau straks. Dan even in gesprek met de dames van het museum over hoe nu verder. Ben ik met de auto: dan moet ik beslist nog even naar die bewuste tempel. Daarna wil men dan graag weten waar ik vandaan kom en wat hier doe, zo alleen. Ik heb over die tempel nu drie verschillende info’s, dus ik weet niet zeker of ik geweest ben waar zij bedoelde dat ik aankwam. Maar in ieder geval liep ik in mijn GGR (grote gele regenjas) in de regen de berg op, anderhalve kilometer.  Die mooie dennenbomen zijn er ook, ik loop langs moestuinen met kalebassen en windes, zie vogeltjes die ik thuis niet zie. Af en toe passeert mij een auto (had ik toch omhoog kunnen rijden, sukkel). In het bos ook tombes, veel lager dan die van gisteren, een meter hoog ongeveer, en bedekt met dennennaalden. Aardig kledderig kom ik boven en vraag nog even na met een kaartje, waar ik precies ben aan de drie mensen die er zijn. Het zijn namelijk maar heel kleine gebouwtjes waar ik terecht ben gekomen, al zie ik aan de begroeide daken dat ze al even meegaan. Volgens een van de heren in het gezelschap zijn ze erg belangrijk, en een van de tempeltjes heb ik voor mij zelf. Rustig even zitten, rondkijken, wat foto’s maken.

Dan me weer inpakken voor de terugweg. Terwijl ik voor de tempel moed verzamel zie ik dat ik wordt vastgelegd, ze blijven het vreemd vinden zo’n westers mens in haar eentje. Terug weer berg af, met de auto verder, naar het nationaal museum. Weer gratis, weer goed, met meer textiel dit keer dan goud. Erg leuk na het huwelijk vorige week, omdat er dan weer een en ander duidelijk wordt en er voorbeelden van vroeger en nu te zien zijn. Dan doe ik moeite uit te vinden waar toch dat geneeskrachtige kruiden museum is, waar de Lonely Planet zo hoog over op geeft. De mensen zijn aardig, ze blijven helpen zoeken en als het is gevonden, na er twee mensen bij te hebben geroepen, wordt een detailkaartje voor me uitgeprint en rijd ik in het inmiddels drukke namiddagverkeer de stad weer door. Dat kruidenmuseum is zeker interessant als je geïnteresseerd bent in de theorie achter yin en yang, de vijf elementen en de andere grondslagen voor deze natuurgeneeswijze. De grappige filmpjes zijn ook in het Engels, dus is het ook voor mij enigszins te volgen. Je kunt nog gratis je bloeddruk meten, er zijn massagestoelen, je kunt een programma volgen en in de shop is er voornamelijk rode ginseng, goed tegen alles, zegt men. In de omgeving heel wat winkels die in grote zakken allerlei getoonde zaken verkopen, inclusief schildpadschild, gemalen beestenbotten etc. Ik kijk en koop niets, en ga in de omliggende wijk op zoek naar iets te eten. Ik kies voor kip sous-vide. Op een groot plat bord krijg ik boven een brandertje een borrelend hete hele kip met groente en uitjes, die nog even voor me in handige stukken wordt getrokken. Met een tang en een vork is hij soldaat voor je het weet. Dan wandel ik terug naar mijn geparkeerde auto, kijk rond in het te dure warenhuis waar mijn auto geparkeerd staat, vijf verdiepingen onder de grond. Vooral de beddenafdeling is interessant. Je kunt hier bedden kopen met een verwarmde bodem van steen, een moderne versie van de oude woningen die hier ook vloerverwarming hadden. En die Koreaanse dunne dekbedjes hebben ze ook in allerlei fraaie patronen. Verder is het westers wat de klok slaat. Phillips en Villeroy & Boch zijn ook vertegenwoordigd. Ik zoek mijn hotel op, een zusje van dat in Gangneum. En inderdaad, bed weer heerlijk zacht, Engelstalige tv en een heel erg lekker warm bad. Ik kan er mogen weer tegenaan.

Wie verre reizen maakt…. 22, Ontmoetingen, 20 september

IMG_0187

Fris en fruitig er uit vandaag, ik was ruim voor negen uur bij het museum. Dat ging overigens pas om tien uur open, 9 uur was voor het buitenterrein. Het regende, de vriendelijke jongeman die het hek openschoof, begeleidde me met zijn paraplu naar de grote bronzen klok op het terrein. Die klok mag je niet aanraken, maar ze hebben een bandje dat regelmatig zijn mooie stem laat horen. Nadat ik alle buitenzaken had bekeken en op een bankje zat te wachten kwam diezelfde jongeman me waarschuwen: ze gingen ook binnen open. Zo was ik, ondanks de massa mensen die inmiddels stond te wachten, toch de eerste die naar binnen mocht. Zonder kaartje, want het museum is gratis. Een miljoen bezoekers per jaar ontvangt men hier. Even later werden we overspoeld door grote groepen scholieren. Rustig in een museum rondlopen is er hier niet bij, de docent roept gewoon iets harder om zijn verhaal te vertellen. Gewapend met vragenlijsten stormen ze door de zalen, dus  ze zijn zo weer voorbij en ’s middags zijn ze er niet. Op een gegeven moment werd mijn naam geroepen. De kans dat dat je overkomt in een land waar je nooit bent geweest en waarvan je de taal niet kent is klein, maar niet nul. Het bruidspaar op huwelijksreis, dat links om gaat waar ik rechts om reis, kwam ook een kijkje nemen. We hadden al een lunchafspraak. In het eerste gebouw vele vondsten uit de tombes die hier midden in en om de stad liggen. De tombes zijn nooit leeggeroofd, ze werden begin vorige eeuw per toeval ontdekt als inhoud bevattend door iemand die zijn huisje op vlakke grond wilde zetten. De schatten die men in de koningsgraven tegenkomt zijn oogverblindend.  Allemaal weer prachtig tentoongesteld. Gyeongju noemt zich de City of Gold, de koningen uit de tombes hingen er vol mee. Mooie presentaties geven aan hoe alles werd gedragen, in een tombe verderop ligt een hele set zoals het werd aangetroffen. Voor de prachtige details zijn er weer touchscreens. In het andere gebouw de bodemvondsten uit de vijver van een paleiscomplex uit 650 . De bodem, fijne slik, heeft ook hout en bot mooi bewaard, en veel gebruiksvoorwerpen waren voorzien van een naam of een datering, dus van grote waarde voor de archeologen die hier nog steeds aan het werk zijn. Dit hele gebied ligt vol met tombes, tempels en paleisrestanten. Veel moet nog ontdekt. Als ik het park van de tumuli inloop, word ik aangeroepen terwijl ik probeer uit te vinden welke richting de beste is. Ik denk een richtingsaanwijzing te krijgen, maar ik krijg van een aardige Koreaans stel een gele regenjas. De man wijst naar zijn vrouw, zij rent op mij af, haar vriendin houdt de paraplu boven mijn hoofd, want “it is raining”. Dat kan ik niet ontkennen. Ik bedank hartelijk, deel drie kikkers uit, word terug bedankt en loop de rest van de ochtend lekker droog in geel verpakt. Na een heerlijke en gezellige lunch met zijn drieën, Bulgoki aan lage tafeltjes in een authentieke ruimte, nemen we weer afscheid. Ik ga nog even een rondje, ga bij de Wodji vijver kijken, een serene omgeving zo na de regen, zie de overdekte brug, het observatorium, rij de stad uit op zoek naar meer, verlies me hier en daar op een weggetje waar ik nauwelijks nog kan keren met de buitenmodel auto, rustig aanschouwd door de plaatselijke bewoners; Joost mag weten wat ze denken van die gekkigheid tussen hun moestuintjes. Dan loop ik nog een stukje een prachtig dennenbos in. Voor de Boeddha op de rots ontbreekt me weer tijd, maar een tombe lukt nog wel. Het is hier rustig maar deze plek werd zeer populair toen Elton John een foto van een lokale fotograaf kocht van ditzelfde dennenbos in de zon. Die zon moet ik er bij denken, maar die bomen zijn inderdaad prachtig en ik vind dat bewolkte ook wat hebben. Ik rij terug naar mijn hotel, werk wat bij, drink zwarte thee met suiker, een zeldzaam goed hier, dus eigen voorraad, en loop dan rond zevenen nog even het stadje in. De wijk naast de tombes is levendig en ik val voor een lichte bakkerij-patisserie waar ik mezelf verwen met een heerlijk bladerdeeg-cacao gebakje en een beker warme citroen thee, Dat is dus citroen en water, geen thee. Met ahorn syroop als ik het goed heb. Het is een komen en gaan in de zaak. Ik score ook nog een goed uitziend brood voor onderweg, want morgen verkas ik naar Daegu. Het lukt me zelfs geld op te nemen zonder problemen bij een ATM in de buurt van mijn hotel. Over de snelweg maar dit keer, een stuk van de route zag ik al eerder van dichtbij. Wat een leven. Wat een lieve mensen allemaal.

Wie verre reizen maakt…. 21, Tempels galore, 19 september

IMG_0124

Als je al bijna drie weken onderweg bent, je veel van onderkomen verwisselt, slaap te kort komt en een paar dagen geen echte warme maaltijd tot je neemt, dan komt er een moment dat je denkt: pizza en een warm bad. Die dag was vandaag. Het hotel bleek toch net zo’n hard bed te hebben als al die hotels hier voor een vriendenprijsje. Het Hilton zal lekkerder liggen, maar houd dat maar eens drie weken vol.

’s Morgens eerst een nieuwe tempel bij een waterbassin. Tempels staan nooit zo maar ergens, de plek is altijd van belang,  de tempel moet ergens voor zorgen. Hier kennelijk voor dat water. Een grote Boeddha zit binnen te glimmen, twee zitten daarachter, een in en een voor een nis, daarnaast ligt een flinke jolig op zijn elleboog te leunen. En als je omhoog kijkt staat er bovenop de rotsen nog een heel grote. Hier keurige affiches die aangeven hoe en wat je kunt doneren en wat je er voor terugkrijgt. De plek is afgelegen, maar blijkt in trek voor dat doeleinde. Dan een heel eind de andere kant op, omdat ik even langs het hotel moet voor vergeten zaken. Gelukkig dat je dan nog een bonnetje hebt, waar een naam op staat in het Koreaans, want wat ik had vergeten zorgt voor de wifiverbinding. Zoek dan maar eens uit waar je ook weer in die vele straatjes je hotel terug kunt vinden. Rond de middag om de zuid, naar een werelderfgoed plek: Bulguksan tempel en de grot in de buurt. Een heel verzorgd complex, in dit gebied willen ze weten dat ze erfgoed zijn, werkelijk alles krijgt een puntpannendakje, tot het benzinestation aan toe. Dit gebied rond Gyeongju wordt het museum zonder muren genoemd en dat klopt wel; Ik ga er geen deuk in slaan deze dagen. Omdat deze tempel zo belangrijk is,  veel schoolkinderen ’s morgens, na de lunch zijn ze weer weg, dan is het rustiger. Na een paar uur rondkijken met de auto verder de berg op. Langs een mooi slingerweggetje en prachtige bomen, ook heel vreemde mij onbekende soorten. Boven is het veel rustiger, het beloofde uitzicht is in regennevelen gehuld. Als ik omhoog wil lopen, bied ik aan even de groepsfoto te maken voor een tiental heren dat daar op een trap staat. Een van hen vraagt in perfect Duits: ben u Duits? Ik antwoord in Duits: nee, maar u zit in de buurt, ik ben Hollands. Waarop hij tegen zijn vrienden in het Engels zegt, ‘zie je, dat zei ik toch, al die Nederlanders spreken ook Duits’. Het is meneer Kim, zijn Duits is “Kaputt” zegt hij zelf, en hij vraagt of ik alleen hier rondreis? Ja, en met de auto? Nou, heel bijzonder vindt hij dat. Hij wenst mij een goed verblijf, en na dit Duitse gesprekje ga ik verder.

De bewuste grot-Boeddha is nog een stukje lopen van de parkeerplaats, over een mooi zandweggetje dat wordt aangeveegd en bladvrij gehouden. Boven zit de Boeddha achter een glasplaat, ter bescherming, en fotograferen mag ook niet. U zult me dus op mijn woord moeten geloven dat hij prachtig is en lekker schittert met het juweel op zijn voorhoofd, de Uma. Hier komen mensen bidden. De ene kant naar binnen, de andere kant er weer uit na een schietgebedje. Dan is het al halverwege de middag, boek ik het Apple Hotel, kijk nog wat halfhartig rond in een dorpje dat leeft van de traditionele volkskunst als Shilla aardewerk, het ongeglazuurde zwart dat voor al die dakpannen wordt gebruikt, papier, chalcedon,  hout en riet. Het is een mooi rustig dorpje, prachtige tuinen, en deze late middag loopt er alleen die ene Nederlandse nog rond. Ik stap in, zoek mijn hotel, besluit niets meer te doen en hoop op een warm bad. Dan rijd ik de parkeerplek van het hotel op en daar zitten vijf Australiërs. De heren, oud collega’s, maken jaarlijks een reisje waarbij de trein de verbindende factor is. Ik mag mee naar de Koreaanse BBQ, en verkwikt door het eten en het gezelschap zit ik hier nu, op mijn volgende harde bedje, weer zonder lakens dit keer, in de hoop dat ik vannacht een paar uur meer slaap dan de afgelopen nacht. Er moet nog heel wat ontdekt worden.