Oezbekistan 1, Avontuur

Voor alles is er een eerste keer, oplettend lezertje. De eerste keer met twee meiden op vakantie, de eerste keer naar Oezbekistan, de eerste keer je bagage niet gearriveerd. Ik weet, het klinkt ongelooflijk, maar ik kwam overal ter wereld met mijn koffers aan. Nu niet.
Heel verbaasd waren we er niet over. De overstap in Istanboel ging maar net goed. Ruim een half uur later dan gedacht stond ik in de bus die me naar de hal moest brengen, en de volgende gate lag precies aan de andere kant van het complex, uiteraard. Mijn reisgenoten, die vanuit Londen kwamen, begonnen al te bellen.
Ik vroeg de man aan de gate (die mijn stoel al weer had vrij gegeven, zo weinig vertrouwen had hij er in dat ik het zou halen) of mijn koffer ook aan boord was. Ik kon me namelijk niet voorstellen dat die net zo snel gerend had als ik. Dat was het geval, volgens hem.
Toch lag hij een continent verder niet op de band. Geen punt, zou je zeggen, haal je hem morgen toch op (brengen doen ze hier niet aan, om veiligheidsredenen). Maar om kwart over acht gaat onze trein naar Samarkand. Dus dat wordt een kort nachtje vannacht, na al een wakker nachtje onderweg.
Het was beide keren bloedheet in het vliegtuig,. Niets lekkerder dan bij aankomst douchen en slapen. Maar zo makkelijk gaat dat allemaal niet. Oezbekistan is een land met een diverse wisselkoers, zullen we maar zeggen, eerst moeten we onze harde valuta op een beetje redelijke en veilige wijze omzetten in de lokale Som. Straks zijn we hier miljonair.
Het weer is prachtig, de bomen en stukuien staan al in bloei, de zon schijnt, de vogels tjilpen en mijn pre-val-van-de-muur kamer heeft uitzicht op het zwembad. Droog weliswaar, je kunt ook niet alles willen. Maar Tasjkent en Oezbekistan liggen voor ons open. Al krijg ik net een pingetje van de provider: welkom in Azerbeidzjan. Ik zal toch wel op het goede vliegveld uitgestapt zijn?

IMG_1215

Onschendbaar

{Onschendbaar: • juridisch niet voor strafrechtelijke vervolging ontvankelijk.}

Af en toe hoor je er wat over: onschendbaarheid. Politiek, parlementair, diplomatiek en die van de majesteit. Dat bestaat namelijk in Nederland, onschendbaarheid van politieke gezagsdragers en nog wat kringen daar omheen. Om vrijheid van meningsuiting te waarborgen, om te voorkomen, dat politieke tegenstanders monddood worden gemaakt, om procedures te voorkomen tegen personen bij uitvoering van beleid. Heel nuttig en zeer juist. Die onschendbaarheid houdt niet in dat iedereen die daar onder valt alles maar kan zeggen en al helemaal niet alles maar kan doen. Wie als Nederlander een misdrijf pleegt kan zich in Nederland niet op onschendbaarheid beroepen, en zelfs wie uitspraken doet waarvan een weldenkend mens op zijn klompen aanvoelt dat die niet kunnen, kan zich niet altijd op zijn lidmaatschap van een volksvertegenwoordigend orgaan beroepen. Dit jaar nog werd een fractievoorzitter uit Alphen aan de Rijn veroordeeld (ook in hoger beroep) voor een beledigende uitspraak.
Ook waar het strafrecht niet aan de orde is, is het natuurlijk niet zo dat volksvertegenwoordigers of bestuurders maar mogen roepen wat ze willen. Zij dienen integer te zijn, zich goed te informeren voor zij zaken de wereld in slingeren. Waar dat fout gaat, volgt altijd op een of andere manier een rechtzetting. Ministers die de kamer onjuist informeren kan dat op een motie komen te staan. Vaak zullen ze excuses aanbieden en ze kunnen zelfs besluiten dat de enige weg die hen rest het aftreden is. Zelfs als de gemaakte fout, de onjuiste informatie, niet hen direct aan te wrijven was, maar begaan werd door onder hun verantwoordelijkheid vallende ambtenaren, of zelfs onder die van hun voorganger. Politieke verantwoordelijkheid heet dat.
Zo’n minister zal dus wel uitkijken vergaande uitspraken te doen zonder ze eerst te toetsen. Want onschendbaar wil nog niet zeggen onverantwoordelijk en zeker niet onfeilbaar. Wie dus willens en wetens ongecontroleerde nonsens verspreidt, daarmee zijn ambt, zijn land of gemeente schaadt, of de goede naam en faam van anderen aantast, schade berokkent door ondoordacht handelen, is wel degelijk ter verantwoording te roepen. Je beroepen op onschendbaarheid om geen excuses te hoeven aan te bieden: het laat zien dat je heel ver van het rechte pad bent afgedwaald en misbruik maakt van je positie. Voor diegene die zo erg verdwaald is, rest slechts de weg naar de uitgang.
Volgende keer een blogje over waarheid.

Vluchtelingen

Waarom zijn we hier? Om te bezien hoe we de Libanese gemeenten kunnen helpen met hun problemen, die ontstaan zijn na de grote toevloed van Syrische vluchtelingen. Daar zijn er officieel zo’n anderhalf miljoen van. Waar zitten ze? Niet in de grote kampen zoals we die zien in Jordanië en Turkije. Ze zitten waar ze kunnen. Aanvankelijk huurden ze vaak ergens iets. Vaak kwamen ze terecht in half afgebouwde huizen, garages, kelders. Er werd mij een straat gewezen met een paar kleine huizenblokken, daar woonden er zo’n duizend. Wie minder gelukkig is bouwt met grote stukken plastic en wat hout een tentje. Met meer geluk breng je het tot een soort caravan of portacabin, met satellietschotel en watertank. We zagen ze bouwen in tuinen en aan huizen, het plastic vervangen voor gasbetonblokken.
Sommigen hebben ook een winkel of bedrijfje. Dat lijkt goed, maar al deze toevloed wil zeggen dat er verdringing is. Landprijzen en huren gaan omhoog, arbeidsloon gaat omlaag. De zomerbaantjes die studenten traditioneel hadden, worden nu ingevuld door Syriërs, of je krijgt de helft minder.
Libanon wilde bewust geen grote kampen, gezien het verleden. In deze hele regio werden in 1946 Palestijnse vluchtelingen bij duizenden opgevangen. Ze mochten zich niet permanent vestigen, maar terug gingen ze ook niet. Er zijn dus grote, dichtbevolkte wijken waar ze huizen. De bewoners nog steeds benoemd als vluchtelingen, of vriendelijker: gasten. Het heeft dit land getekend, er waren in periodes over en weer problemen. Tijdens onze trip naar het zuiden zagen we alle vormen van vluchtelingenonderkomens, we zagen kinderarbeid.
Terug in de stad konden we ’s avonds deelnemen aan een liefdadigheidsfeest. Voor veel geld kon je een tafel huren, inclusief drank en muziek. Een buitengebeuren aan de haven. Een gigantisch toneel, een gouden rand met rozen en boven ons de sterren. De muziek was gevarieerd, het publiek van alle leeftijden. Buiten alle acts die de rondreis maken langs dit gebied een paar landelijke toppers, met traditionele muziek, met als oudste een heer met zilvergrijze staart in een schitterend jasje. Alle teksten werden uit volle borst meegezongen, en meestal gaan ze over de liefde. Hoogtepunt wat ons betreft: de winnaar van de Voice of Libanon. In een militaire outfit zong hij vaderlandslievende liederen. Achter hem op het toneel dansers met karabijn en speer. De teksten: nu is de revolutie, vrijheid of dood. Of: ik wil leven, niet sterven, Libanon leeft, morgen zal de zon weer voor haar schijnen. Het publiek staat, danst, zingt uit volle borst mee. Op anderhalf uur rijden zitten de vluchtelingen in hun tentjes. Israel is drie uur verderop, Syrië is ongeveer net zo ver.

Het zuiden

Vroeg op pad deze dag, naar het zuiden dit keer. Het gebied waar Hezbollah een grote achterban heeft, waar veel maar niet uitsluitend Shia wonen. We worden voorbeeldig ontvangen in de eerste gemeente die we aan doen. De gouverneur van Zuid-Libanon zit voor, er zijn presidenten van gemeentelijke unies. De tragiek van dit land wordt in dit kort bestek samengevat door de uitstekend voorbereide bestuurders. Ze hadden een visie, ze waren klaar met het opstellen van een voor 18 gemeentes geldende lange termijnplan. Ze zouden gaan uitvoeren. Het was 2010. 70 Projecten waren vastgesteld, 40 werden er uitgevoerd. En toen barstte de bom in Syrië en werd het crisis beheersing. Het vuilnisprobleem, het rioleringsprobleem, we hebben het overal gehoord, hier in dit gebied zien en ruiken we het. Overal ligt vuil, in wanhoop wordt het ongesorteerd verbrand hier en daar en overal. Er is een gescheiden afvalsysteem opgezet, maar de capaciteit ontbrak om het adequaat in te zamelen. Er kan 100 ton afval verwerkt worden, maar het aanbod is 150. Er zijn bedrijfjes die recyclen, veel meer dan bij ons. Maar als je een toevoer van vluchtelingen hebt, is gescheiden afvalinzameling niet je eerste prioriteit, en stapelt het vuil zich op. In de berm, in het veld, in de stad. En op het strand, het natuurreservaat waar de schildpadden broeden. In een gebied waar eens, niet zo lang geleden, iedereen op vakantie wilde, met prachtige stranden, een mooie natuur, en genoeg culturele monumenten om ook de verwendste toerist het naar het zin te maken. Ook nu nog gaan Beiroeties hier graag heen om een strandvakantie te vieren, wat er rest aan hotels in maanden volgeboekt. En het plastic afval ligt overal verspreid. We bezoeken een vissershaven. Met hulp van UNDP werd de visafslag verbeterd, er is koeling. Als wij komen is de vis al bijna uitverkocht, er resten een paar kabeljauwen en een zaag- en gitaarvis. De beheerder belooft mij, als ik terug kom, met me te gaan duiken. Er zijn prima plannen voor een visrestaurant, voor een plek naast een waterbron waar het goed toeven is. Er is behoefte aan onderhoud van de vissersschepen. Ook de vissers lijden onder de vervuiling en teruglopende visstand als gevolg. Wie gaat hier helpen, wie steekt hier de handen uit de mouwen, samen met de hardwerkende lokale bevolking? Ik moet helaas vroeger terug naar Beiroet, voor een coördinatiebijeenkomst met allerlei partners hier in Libanon. Tijdens die rit rijden we langs een van de Palestijnse kampen, Shatila. De naam klinkt nog na. Een andere atmosfeer, een andere dynamiek, verder weg van Libanon. De huizen op en over elkaar gebouwd, kris-kras, een sloppenwijk op vijf minuten van down town. Hier wonen de vluchtelingen van 1946, die alles wat ze konden dragen oppakten, de sleutel van hun voordeur omdraaiden en meenemen. Hier wonen de mensen die hoopten op terugkeer, en niet mochten assimileren. Hier woont een groot deel van de bevolking, niet geregistreerd, zonder stemrecht. Dit is wat men hier vreest, dit is waarom de Syriërs hier niet in kampen werden opgevangen, men wil geen oude fouten herhalen. De nieuwe gasten moeten terug.

Beiroet 2

De derde dag van ons bezoek hier. Bij binnengaan van het gouvernementsgebouw voor onze tweede afspraak deze ochtend, zit een man of vijf relaxed aan de lunch. Zij zijn de militaire bewakers en tegelijkertijd receptionisten hier. We worden vriendelijk in de lift begeleid, men weet als overal van onze komst. In de antichambre van de gouverneur van Beiroet de cameraploeg die we hier vaker tegenkomen. Mensen die wachten of ze naar binnen mogen. Voor ons is dat vlot. Via het lege, grote kantoor van de gouverneur naar zijn zeer ruime ontvangstkamer waar we onze ambassadeur weer treffen. We bevragen de gouverneur op wat zijn visie is, hoe hij de situatie ziet. Bedachtzaam als de rechter die hij is, vertelt hij ons over zijn angst dat de sociale cohesie in zijn land afneemt door de grote druk vanwege de Syrische crisis. Hoe mensen voelen dat dit hun land niet meer is, hoe zij hun baan verliezen en hun flat en geen nieuwe betaalbare woonruimte kunnen vinden. Ook hier moeten we verwachtingen temperen: men weet vaak precies wat men nodig heeft, met de overvloed van NGO’s is het ook goed je wensenlijstje zo vaak mogelijk op tafel te leggen. Maar wij komen niet met spullen en met fondsen, wij komen voor duurzame verbeteringen van de gemeentelijke overheden en voor een betere verbinding met de bevolking. Nadat zowel de gouverneur als wij elkaar hebben bijgepraat, lopen we met de ambassadeur naar beneden. In de hal, waar zo even nog de relaxte lunch plaats vond, is daar is nu geen sprake meer van. Twintig man springt in de houding als onze ambassadeur langsloopt. Wij volgen haar waardig en glimlachen vriendelijk naar deze erewacht. Buiten praten we nog even bij, en vertrekken naar de volgende afspraak, het volgende ministerie.

Om zes uur zit de werkdag er op, althans, qua afspraken en ontmoetingen. We hebben een paar uur tot het diner waarvoor we uitgenodigd zijn. Kwartiertje zwemmen, opfrissen en dan met elkaar weer aan het werk, om de briefing van vrijdag voor te bereiden.

’s Avonds zitten we met 16 man en 4 nationaliteiten aan een tafel waar gastheer en -vrouw ons een voortreffelijke maaltijd voorschotelen. Met lokale vis, lokale groente, lokale wijn. Het is een uur na middernacht als we besluiten dat een beetje slaap geen kwaad kan. Er wachten ons nog twee lange dagen.

Bekaa

Een fris en min of meer uitgerust groepje vindt elkaar aan de ontbijttafel. De gesprekken gaan onmiddellijk over het werk, de missie, de opdracht die we hier hebben; Wat vinden we van wat we hoorden tot nu toe, wat gaat er vandaag gebeuren. Na het ontbijt schuiven we een tafel verder aan, bij een vertegenwoordiger van Difid, de grote Britse organisatie, om kennis te delen en ervaringen te polsen. We krijgen de indruk dat veel van de grote clubs hier dezelfde boodschap hebben voor ons. Toeval? Een uur later staat onze comfortabele SUV klaar en gaan wij richting Bekaavallei, waar veel vluchtelingen zitten.

Via de weg naar Damascus, altijd de levensader die beide steden verbond en ook nu nog vrachtvervoer kent, hoewel minder. Langs de weg de gebruikelijke gigantische billboards. Onze Libanese teamleider wijst ons op de unieke samenstelling van de reclame, exemplarisch voor dit land. Reclame voor bier en wijn, reclame voor het circus dat komt. Daarnaast reclame voor een restaurant dat zich op de ramadan voorbereidt, hun uitstekende eten aanprijst, samen met de aanwezigheid van een gebedsruimte. Nergens anders leven deze geloven zo dicht en zo vrij naast elkaar, nergens anders, zegt hij, in deze regio is het mogelijk om als Christen een biertje te drinken, terwijl je buurman de ramadan viert. Die vrijheid staat behoorlijk onder druk, loopt risico met alles wat er rondom gebeurt. Hoe eindigt het in Syrië, wie is er straks (ooit) de overwinnaar? Want, zo zegt hij, als we deze wijze van samenleven, deze unieke vrijheid in dit land niet overeind kunnen houden, dan is het weg, komt het niet meer terug, in de hele regio niet.

Op twee uur van Beiroet zitten we in die Bekaa vallei, vruchtbare grond en al millennia in gebruik. Hier niet de grote tentenkampen die we kennen van televisie en van Jordanië. Vluchtelingen kenden deze streek in het buurland, waar ze vaak als seizoensarbeider in de landbouw werkten. Nu kwamen ze met alles wat ze mee konden nemen, en heel de familie. In eerste instantie vaak bij mensen thuis, of in een gehuurde flat. Ze werden als gasten ontvangen, in kleinere groepen tegelijk. Tijdelijk, dacht men, hoopte men. Maar dat is vier jaar geleden.

De twee gemeentes die we bezoeken hebben nu vluchtelingaantallen die gelijk of dubbel zo hoog zijn als die van de eigen bevolking. De centrale overheid doet er niet veel aan, het komt op de schouders van de plaatselijke gemeentes, van de burgemeesters daar, die met minimale budgetten de boel bij elkaar moeten houden, de scholen moeten laten draaien, het water moeten laten stromen, en de elektriciteit. Die het afval weg moeten werken, die hun parken uitgewoond zien worden, hun riolering overbelast.

Na de theorie van het gesprek, de praktijk van het veld in, naar de beter gestructureerde gemeenschappen vluchtelingen. Van groepen tentjes van plastic, zeil en hout, soms enkele, soms tientallen, tot grotere eenheden ommuurde, met watertanks en schotelantennes. Veel kinderen op straat tussen de middag. De kleintjes gaan ’s morgens, daarna de grotere: dubbel bezette scholen en leraren. Dubbel bezette artsen en ziekenhuizen. Een groter kamp binnen gaan wordt ons van harte afgeraden door de agenten die ons begeleiden. Aan de rand van de wegen het bewijs van de overbelasting, ook op het milieu: afval, plastic meest, tussen het rijpend graan, of al in stukken op de geploegde velden, de irrigatiekanalen vervuilend en blokkerend.

Op de terugweg even tijd om net voor sluitingstijd naar een wijngoed te gaan, waar al bijna een eeuw de vaten en flessen liggen opgeslagen in een bij toeval gevonden grottencomplex. Uitstekende wijn, als ik de proevers mag geloven. Een complex dat in hartje Frakrijk niet zou misstaan. De wijn wordt over de hele wereld geëxporteerd. Net als veel van het fruit en de groente uit deze streek.

’s Avonds eten we met elkaar op het terras van een Libanees/Armeens eethuisje. Daarna nog even brainstormen in het hotel met elkaar, om te bezien of we al een richting hebben gevonden waarin ons project zou kunnen gaan. Met heel veel uitwisselen van ideeën en gedachten, maken we al een flinke slag daarin. Mogelijk moeten we daarom kijken of het programma de tweede helft van de week omgegooid kan worden. In ieder geval betekent het dat we vanaf nu gerichter kunnen doorvragen en op zoek moeten gaan naar de info die we nog missen. En zo is het voor je het weet weer elf uur.

Beiroet

Vanaf het balkon kijk ik uit over de stad, de zee. Achter mij de residentie van de Nederlandse Ambassadeur in Beiroet; voor mij de haven waar ik in 1981 of -82 een week lag te lossen. Troste boeren in wijde broeken zagen toe op het uitladen van hun pootaardappelen, die in de Bekaavallei geplant zouden worden. Toen een land in burgeroorlog, die even verflauwd was. Er stonden, binnen de muur van lege containers die de haven moest afschermen voor verdwaalde kogels, overal platen marmer te wachten om de vernielde hotels weer op te knappen. Kort daarna zou de interne oorlog zijn laatste, bloedige fase in gaan.
Nu is Beiroet, althans het deel dat wij gezien hebben, een drukke, ogenschijnlijk welvarende stad. Een mooie mix van modern comfort, waar toch de groentewinkels nog tot na middernacht open zijn tijdens deze warme junidagen.

Ik ben hier voor een scopingmission. Waar Libanon een relatieve vrede kent, is het in buurland Syrië helemaal mis. Miljoenen ontvluchtten hun land. Opvang in de regio, daar weten ze hier alles van. Anderhalf miljoen (geregistreerde) vluchtelingen vinden al jaren hier veiligheid. Ze maken dertig procent van de bevolking uit. In sommige gemeenschappen zijn er twee keer zoveel vluchtelingen als autochtone bewoners. Stel je voor dat dat in welk land in Europa het geval zou zijn, stel je voor dat Nederland in korte tijd 9 miljoen vluchtelingen op zou vangen. We zouden krakend tot stilstand komen en tot chaos vervallen. Niet hier, niet in dit land, met zijn complexe politiek. Al jaren bieden ze de influx het hoofd.

Deze avond spreken wij onder leiding van onze gastvrouw, de Nederlandse ambassadeur, naar aanleiding van de ontmoetingen de afgelopen dag met allerlei vertegenwoordigers van de grote spelers in het veld van de hulpverlening hier, de UN familie, de Britse en Europese ontwikkelingsorganisaties. Ze zijn allemaal druk met het lenigen van de nood, het in stand houden van systemen die tot voorbij hun limiet zijn opgerekt.

Vanmorgen begonnen met een gesprek met een MP, die schetst hoe de politiek bevroren is op het moment, er nog geen presidentskeuze gemaakt wordt, en alles daardoor stil valt. Hij roemt de Libanese mentaliteit, waar mensen het dan maar zelf oppakken en oplossen, zo goed en zo kwaad als het gaat. Het is een dag van kantoor in, kantoor uit. Rond de middag realiseer mij ik ineens dat ik voor het eerst een moskee hoor, in een buurt waar kerk en moskee letterlijk naast elkaar staan. Ons hotel staat op de grens van de christelijke wijk, daar klinkt die roep niet door. Libanon is een uniek land, met een uiterst subtiele, afgedwongen balans in vertegenwoordigingen. Het maakt het complex en lastig, het werkt soms vertragend, maar is tegelijkertijd ook ontzettend boeiend.

Als we ’s avonds om elf uur weer in ons hotel komen, zijn we precies 22 uur in het land. Het voelt als dagen.

Dunning-Kruger en integriteit

Domme mensen kunnen niet weten dat ze dom zijn. Ze missen de intellectuele capaciteit om domheid te herkennen. Als ze wisten wat ze niet wisten zouden ze het weten.

En volgens mij gaat deze theorie, het Dunning-Kruger effect, ook op voor integriteit.
Je (h)erkent niet-integer gedrag alleen als je weet wat integer gedrag is. Dus iemand die niet-integer handelt, is niet in staat om dat te herkennen, want als hij dat kon zou hij anders handelen.

Ik schud hem even uit de losse pols, oplettend lezertje, geheel onwetenschappelijk, het Dunning-Kruger effect voor integriteit. Hij kwam bij me op door een paar zeer recente ervaringen. Ook nog een waar domheid en niet integer gedrag samengaan, een dodelijk gevaarlijke combinatie.

Maar ook intelligente mensen kunnen niet-integer zijn, of niet-integer handelen. En volgens onze Premier, jawel, onze Premier, kun je iemand die niet-integer handelde maar verder zijn werk als Gedeputeerde, ja u leest het goed: Gedeputeerde, jaren lang goed deed dat niet gelijk kwalijk nemen.

Kun je dat niet? Ik kan dat wel. Want juist met die jarenlange staat van dienst zou ieder niet domme, integere Gedeputeerde, net als alle andere bestuurders, heel goed moeten weten dat er een scheiding moet zijn tussen werk en privé, tussen wat wel kan en wat niet kan, zelfs als hij daar geen cursus voor heeft gevolgd. Maar Verheyen komt er mee weg, of lijkt er mee weg te komen. Het is een aardige jongen, hij heeft zo hard gewerkt (en is daar goed voor beloond altijd), we moeten hem niet te hard vallen.

Zelf zegt hij “Ik ben oprecht (!lr) van mening dat ik het zo goed als mogelijk heb geprobeerd te scheiden. Maar ik ben een politicus, geen heilige. Ik ben niet feilloos.”

Wie te laat zijn werkbriefje inlevert: korting. Wie niet genoeg spijkerbroeken heeft: geen uitkering, hij zal de boel wel belazeren, Wie een dag te laat is met een bezwaarschrift in te leveren: geen vrijstelling. Maar een Gedeputeerde, goed opgeleid, getraind, ervaren, ach, tja, foutje, zand er over, niet opblazen en we hebben het helemaal verkeerd begrepen.

Ieder recht van spreken kwijt, geloofwaardigheid onder nul, vriendjespolitiek, eigenbelang; een klap in het gezicht van die vele honderden PGB gebruikers die al weken vergeefs wachten op de oplossing van hun problemen, en zich moeten laten welgevallen dat ze worden te woord gestaan als domme randcriminelen die het allemaal niet snappen of verkeerd doen.

Integer zijn in al je handelen, daar gaat het om

Het Systeem

“L’etat c’est moi”, “de staat, dat ben ik”. Woorden die we allemaal leerden op school tijdens de geschiedenisles.
“Wir sind das Volk”, woorden die we allemaal hoorden op radio en tv uit duizenden kelen tegen het einde van het Sovjettijdperk bij onze oostelijke oosterburen.

Allebei waar, als je het goed uitlegt. Ik ben dit land, ik ben dit volk, ik ben verantwoordelijk. Althans, zo kun je het opvatten. Als een despoot zoiets zegt, bedoelt hij waarschijnlijk niets vriendelijks, maar in ieder geval is duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt als het fout gaat.

Tegenwoordig zeggen we dat niet zo gauw meer, hier in Nederland. Als er iets fout gaat, en er gaat regelmatig iets fout, dan zeggen we dat we het jammer vinden, dat we ons uiterste best doen, maar ja: Het Systeem, de techniek, het weer: die laten ons in de steek. Voor het weer wil ik soms een uitzondering maken, maar voor smoezen als: “we doen ons best”, veel minder.

Want is dat wel Het Systeem dat faalt, waardoor mensen in de problemen komen, zoals nu bijvoorbeeld de PGB-gebruikers en hun zorgverleners?
Of zijn het de makers van Het Systeem: de softwareproducent, de planner, de opdrachtgever in Den Haag?

Allemaal, denk ik dan simpel.

De softwareproducent omdat hij kennelijk niet in staat is een goed, eenduidig te bedienen systeem te leveren dat doet wat er van gevraagd wordt. (Of gebaat is bij fouten die hij tegen vergoeding kan oplossen achteraf)

De planner, omdat die zo laat was met het invoeren van het systeem voor de fatale datum, dat te verwachten was dat er nog heel wat kinderziektes te voorschijn zouden komen.

Maar vooral: de opdrachtgever in Den Haag, de Minister(s) en de Kamer, die een grote wijziging bedachten en accordeerden en lieten uitvoeren, tegen beter weten in.

Tegen beter weten in, omdat er in de recente geschiedenis (ik ga maar een jaar of tien terug) nog NOOIT een groot ICT project door de overheden goed is uitgevoerd binnen de gestelde tijd, met het gestelde budget. In het gunstigste geval kwam het erg laat en werd het erg duur, en in een enkel geval kwam er na veel wachten en veel geld zelfs niets.

Toch denken we kennelijk steeds dat het deze keer wel zal lukken, dat proefdraaien niet nodig is, dat alles zal marcheren vanaf dag een.
Toch denken we kennelijk steeds dat we niet hoeven luisteren naar de ervaringsdeskundigen, die al heel lang waarschuwen. Doof en blind voor raad en kritiek gaan we vrolijk verder met implementeren, en we zien wel waar het schip strandt.

Als het dan zoals verwacht fout loopt, springt iedereen in de reflex: de kamer vraagt de minister om uitleg. De minister geeft vervolgens de schuld aan de gebruikers, gaat voorbij aan het problemen bij de zorgverleners die al maanden geen salaris meer ontvangen en zegt dat excuses op hun plaats zijn, maar maakt ze vervolgens niet, en zelfs dat dan nog met de microfoon uit.

Lafhartig, halfhartig, onvoldoende.

De kamer zit er bij en zegt: nog een keer, we houden je in de gaten; En doet vervolgens niets. Want ook de kamer heeft boter op haar hoofd, ging akkoord met deze stelselwijziging, en nog een paar forse anderen.

Want we leren er niet van.

Bij welk systeem ook maar, hoe goed of slecht het is: er zal altijd iemand zijn die het niet snapt, er zal altijd iemand zijn die de randen opzoekt, er zal altijd iemand zijn die over die randen heengaat en misbruik maakt.
Dan zou je dus de fouten of foutjes moeten aanpassen, de controle moeten verbeteren en een verbeterd systeem moeten gaan gebruiken. Dat doen we niet, we gooien alles op zijn kop, geven veel geld uit aan Een Nieuw Systeem, en gaan vervolgens zitten wachten. Tot het fout gaat, de gebruikers de dupe zijn. Daarna is het een kwestie van tijd tot diegenen die graag tot of over de rand gaan de mazen hebben gevonden, een kwestie van nog meer tijd voor we weten waar die mazen zitten, en wie er door glipt.

Dan komt het volgende Nieuwe Systeem.

Het is zoals met wasmiddel: NIEUW! Wast nu nog schoner. Maar nooit zo schoon dat er niet iets nieuws wordt bedacht.

Het resultaat van de wijzingen in het PGB? Ik weet niet hoeveel “misbruik” er van Het Oude Systeem werd gemaakt en hoeveel dat ons gekost heeft. Ik weet wel dat het aantal “misbruikers” veel lager is geweest dan de 25% van de gebruikers die nu getroffen zijn, samen met hun zorgverleners. Ik weet wel dat dit Nieuwe Systeem veel geld zal hebben gekost, en nog gaat kosten.

En ik weet, omdat dat ik dat overal in mails kan lezen, dat de aanbieders van dat Nieuwe Systeem zich weer verschuilen achter: “we doen ons best, het komt er aan, weet u zeker dat u het formulier goed heeft ingevuld? Tja, we kunnen er niets aan doen, Het Systeem is overbelast.”

Laffe smoezen, slechte uitvoering, en de schuld en het nadeel ligt bij de verkeerde. Geen minister die moet wachten op zijn riante inkomen, geen Kamerlid dat gekort wordt, geen uitvoerder die in salaris achteruitgaat, of twee maanden moet overbruggen zonder geld.

Het Systeem: dat zijn wij, wij met elkaar maken de straat, het dorp, de stad, het land. Wij met elkaar kiezen onze volksvertegenwoordigers, wij met elkaar zijn die planners en uitvoerders.

Het wordt tijd dat de bedenkers van nieuwe wetten en stelsels en regelingen goed vooruitdenken, voor ze iets aanpassen of groots wijzigen. Dan scoor je op korte termijn wellicht wat minder met een eigen wet of Systeem, maar dan blijven de problemen beheersbaar, betaalbaar en behapbaar.

Maar ja, zo’n aangepaste wet krijgt zelden de naam van de aanpasser.

Denken voor je doet, daar gaat het om

Rolstoelafhankelijk

Ik heb een vriendin met een helder verstand, een onverwoestbaar humeur en een onwillig lijf. Ze is rolstoelafhankelijk. Als in: ze zit in haar rolstoel of ze ligt in bed, ze loopt niet. Ook niet een paar stapjes, ook niet even de bus in, ook niet even een kort stukje. Niet.

Ze redt zich meer dan prima met haar lichte, wendbare rolstoel, en ze rijdt haar eigen, zelfbetaalde, aangepaste bus. Ze werkt als vrijwilliger in huurdercommissie, buurt, wijk, stad, organisatie. Voor jong als leesmoeder, voor oud in UWV commissie, voor iedereen in de politiek. En tussendoor rust ze om de energie op peil te houden en de pijn op een aanvaardbaar niveau, want pijn heeft ze altijd.
Niemand die dat ziet, ze lacht veel.

Voor de kerst begaf haar rolstoel het, niet meer te gebruiken. Met veel bellen en aandringen kon er een vervangende rolstoel geregeld worden. Tijdelijk. Dat wil zeggen: minimaal vier weken gerekend vanaf na de feestdagen, want je, met de feestdagen gebeurt er niets. Vervanging moet uit de VS komen, geen onderdelen hier, en ook geen zelfde type rolstoel in heel Nederland beschikbaar. Zelfs niet haar oude rolstoel die ze moest inleveren voor ze deze kreeg, en die daarna rap verkocht is door de innemer (tegen de belofte in).

Nu wordt ze door haar tijdelijke rolstoel gesloopt, die zelfs om te duwen (wat ik nu veel doe) zeer veel zwaarder is, en die veel minder makkelijk te sturen is. Haar lichaam kan dat niet aan. Ze probeert haar verplichtingen na te komen, haar agenda uit te voeren, haar steentje bij te dragen aan de maatschappij.

Ondertussen krijgt ze te maken met allerlei goedwillende en minder goedwillende ambtenaren en medewerkers. Mensen die zeggen: “mevrouw, niet zeuren, de stoel die u heeft is WEL licht.” “Mevrouw, tja, dan maar iets vaker naar bed.” “Mevrouw, dan maar niet naar dat sollicitatiegesprek, jammer”. Die haar zeggen: ”Tja, ik kan er verder ook niets aan doen, het komt uit Amerika hè?”.

De gemeente Den Helder, waar mijn vriendin woont, heet een nieuwe aanbieder gecontracteerd voor dit soort voorzieningen. Een goedkopere. Maar zoals dat vaak is: minder geld, minder service, minder voorzieningen voor de klant.

Wat mij er in stoort?
Ten eerste het feit dat er kennelijk niet voor gezorgd kan worden dat er in Nederland ergens een zelfde vervanging te krijgen is voor zo iets belangrijks.
Ten tweede dat men kennelijk aanvaardbaar vindt, dat men maanden op vervanging moet wachten, het is nu als spoed behandeld maar er is nog geen zicht op vervanging, en we zijn inmiddels al een maand verder. De tijd die men neemt, is genoeg om een nieuwe jaguar te bouwen. Via Fedex kan men over de hele wereld alles afleveren binnen 48 uur. Maar een rolstoel, daar moet je maar even op wachten, en je moet je niet aanstellen en vooral niet zeuren.
Wat mij stoort is dat we karretjes op Mars kunnen laten rondrijden, of op een komeet, maar niet een rolstoel kunnen leveren binnen een redelijke tijd.
Wat mij stoort is het makkelijk oordelen over noodzaak, en voor iemand beslissen hoe hij of zij de dagen doorbrengt.
Het gemak waarmee we heenstappen over het feit dat rolstoelafhankelijk ook betekent dat je rolstoelafhankelijk bent, dat je je leven niet kunt leven op aanvaardbaar niveau zonder dat ding.
Wat mij stoort is dat het je onmogelijk wordt gemaakt te functioneren als de betrokken burger die je bent, omdat men alleen op het geld let, dat niemand haast heeft.
Wat mij stoort is dat dat niemand die er over gaat genoeg kan schelen om er echt wat aan te doen.
En dat als je daar achterna belt je als lastig wordt gezien.

Nederland verandert, de zorg verandert mee? Vergeet het maar. De regering bedacht dat het goedkoper moet en dit is het resultaat: wachten, wachten en je zelf slopen.
Daar zouden we eens voor op een plein moeten gaan staan met zijn tienduizenden.

We moeten ons schamen.

Rekening houden met de behoefte van anderen, daar gaat het om