NBU 86, Bent’s Old Fort

IMG_1396

Na een ritje met verdwalen, ik kwam al niet goed van de camping af, arriveerde ik dan toch na een uurtje bij Bent’s Old Fort. Het Fort ligt aan de voormalige grensrivier Arkansas, Mexico lag op een steenworp afstand aan de overkant. In tegenstelling tot wat de naam suggereert, was het geen verdedigd Fort, maar een handelspost, opgezet door Bent en zijn firmanten. Doel was de handelsroute naar Santa Fe te accommoderen en de bisonhuiden over te kunnen slaan. De Chayennes in deze streek werden er rijk van, van al die vellen. De bison werd interessant toen de bevers bijna op waren. Het fort is opgebouwd uit adobe, wat voor deze noordelijke streken eigenlijk niet zo geschikt is, het vraagt voortdurend onderhoud. Toen, met het oorspronkelijke fort, en nu bij de reproductie die hier staat, volledig op authentieke wijze opgebouwd. Al het ijzerwerk is gesmeed in eigens mederij. Die kopie kon tot stand komen omdat er ooit een herstellende kaartenmaker verbleef, die het fort zorgvuldig opmat. De beschrijvingen van mensen die hier korter of langer verbleven in hun dagboeken en brieven, geven vele details. De gidsen in kostuum zijn geschiedkundigen en weten van alles wel iets te vertellen. Geen vraag is ze te gek.

Een brandend vuurtje, een echte kraal met ossen en paarden, kippen en pauwen, geven geur en kleur aan het geheel. Je kunt je voorstellen hoe het was, in de drukke tijden.

Het Fort kende een korte bloeiperiode en ging toen roemloos ten onder, vervangen door nieuwere gebouwen iets verderop. Maar zolang het er stond, was het een centrum van handel, de indianen in die tijd kunnen zich nauwelijks hebben bedacht dat ze deel uit maakten van een netwerk dat tot ver buiten Amerika actief was. Alles kwam hier samen, tot aan de Chinese thee aan toe.

Ik neem de tijd, in deze hitte, bezoek iedere kamer en geniet van de mooie bouw, die zo prachtig past in dit lage kale landschap. Dan rijd ik door naar Pueblo, terwijl de hittegolf zich naar het noordoosten uitstrekt, de eerste doden zijn al gevallen. Amerika raakt op meer dan één front oververhit. Halverwege de middag, nog voor Pueblo, na dagen van een platter en leger wordend landschap, doemen de blauwe bergen weer op aan de horizon, voorbodes van de Rockies.

Ergens ligt plotseling een auto op zijn kop in het veld, mensen lopen er naartoe, hulpdiensten zijn nog niet gearriveerd. Dat is de tweede keer dat ik een eenzijdig ongeval zie, op een rustige rechte weg. Hopelijk niet de aanleiding tot weer een bermmonumentje.

Er komen weer scheuren in de velden en kale rotsen aan de horizon. In Pueblo vind ik een uitspanning aan het nieuwe rivierwandelpark, resultaat van de stadshartvernieuwingen, ook hier. De stad heeft ongetwijfeld meer te bieden dan dit goed bezochte café op deze vrijdagmiddag, maar de hitte is verpletterend. Ik wil graag kamperen in een state park aan het meer in de buurt. Helaas, alles campings, staats en privé, zitten nokkievol. Ik rijd naar de volgende stad, in de auto is het immers koeler dan daarbuiten. Het landschap wordt weer prachtig, met al die rotsen, donkere bergen in het westen, de begroeiing die voortdurend verandert, de vele Mexicaanse invloeden in de bouw van de huizen. Ook in de volgende stad en op weg erheen is alles vol. Dan wordt het dus weer Walmart. Maar voor ik daar aankom zie ik een bioscoop. Daar maar eens kijken. Timing is everything, ik ben net op tijd om aan te schuiven bij the Lion King, de zaal zit redelijk vol. Veel kleine kinderen die na de eerste vrolijke tien minuten het lachen vergaat. Het belooft een warme nacht te worden, maar de avondhemel met die bergen voor de rode wolken maakt veel goed.

Morgen toeristje spelen, eerst met de antiekzaken in Florence, dan de Royal Gorge bekijken. Denk ik.

NBU 85, Meer

IMG_1327

Lekker op tijd naar bed, lekker lui uitslapen. Pas om half acht sta ik op. De overburen zijn dan al vertrokken, met tent, boot, kinderen en hond. Niets van gemerkt. Zwemmen staat op het programma, en wat orde scheppen in de chaos. Helaas zijn de steekvliegen nog steeds hongerig, dus ik zwerm een beetje van binnen naar buiten en weer terug. Af en toe doe ik eens iets, dan lees ik weer eens een stukje, dan schrijf ik weer eens wat. Lekker ongeorganiseerd. Halverwege de middag, als het echt niet meer te harden is, loop ik de weg af naar het strandje aan de andere kant van het reservoir. De camping is niet aan het meer, maar aan een soort lekbak, achter de grote dam.

Het water begint nog net niet te sissen als ik erin loop. Er is een uitgebreid gezin aan en in het water, met vooral meisjes en vrouwen, opa (nog jong) zit op een stoel in het water en houdt de kleinzoon in de gaten. Een echtpaar hangt in het water af te koelen. Als ik na een half uurtje dobberen weer aan wal ga, raken we in gesprek, krijg ik een lift terug en vragen ze of ik van spelletjes houd. Ze komen uit Colorado, waar ze twintig jaar geleden voor werk vanuit Canada heen verhuisden. Neil was al eens in Nederland en meende een Duitse aan mij te horen. Dat denken ze hier steeds, ik vind dat wij helemaal niet hetzelfde accent hebben als Duitsers, maar daar sta je in Amerika redelijk alleen in.

Ik lees nog wat met de Airco aan, binnen. Vanwege de hitte (39C) en de steekvliegen, die deerflies blijken te zijn. Anti-mug helpt niet tegen ze. Denk niet dat het alleen kommer en kwel is met de insecten hier, er vliegen prachtige libellen en andere insecten en ook mooie vlinders. Na een frisse douche en een middagje lezen, sta ik om half zeven met een pak koekjes voor de deur van mijn gastheer en -vrouw. Het wordt een gezellige avond met verhalen en een spelletje jatzee.

Als ik keurig voor mijn Monster wordt afgeleverd, vliegen er honderden insecten rond mijn buitenlampje. Ik ben dus nog wel even bezig als ik binnen ben, om alle blinde passagiers te vernietigen, voor ik rustig kan gaan slapen.

Wat ga ik morgen weer beleven?

NBU 84, Dodge City

IMG_1213

Vandaag een berichtje van een trouwe volger: ‘Iedere morgen lees ik eerst jouw stukje. Hoeveel krijg ik er nog?’ Ik ben blij met iedereen die mijn stukjes leest en commentaar geeft, dat is toch een band met het thuisfront, zeker als je alleen reist.

Maar eigenlijk schrijf ik ze voor mezelf. Alleen ergens door het landschap rijdend probeer ik wat ik zie in woorden om te zetten. Zo dwing ik mezelf om goed te blijven kijken. En ik weet over een paar jaar nog wat zich heeft afgespeeld. Niet dat alles opgeschreven wordt, dan worden de blogs te lang (zoals deze dus), het zijn meer een soort kapstokken voor later.

Vanmorgen op weg naar Hasty had ik zo veel te melden, dat het overborrelde. Ik heb Siri aan het werk gezet om notities te maken. Die ik nu moet zien te ontcijferen, hij spreekt geen Engels. Na een half doorwaakte nacht, waarin ik de vrachttrein en de ezel heb horen roepen, blijkt vanmorgen vroeg dat de schoolbus naast mij bewoond wordt. De verse eigenaar moet nog even uitzoeken bij welke neef hij zich gaat voegen, wat hij nog gaat sleutelen aan het ding om het echt bewoonbaar te maken, maar dan komt het helemaal goed. Want Dodge City, het is een ‘hole in the wall, not much to do here.’ Hij houdt het hier voor gezien.

Dat kan goed zijn, als je hier al jaren woont, maar voor de eenvoudige bezoeker valt hier nog wel wat te beleven. Ik ben al vroeg bij Boot Hill, de vroegere begraafplaats. Nu is er een whiskystokerij, nog dicht. Naar het bezoekerscentrum dus. Daar staat de trolley klaar voor een rondrit, inclusief Fort Dodge. De chauffeur kan zijn lol niet op, een bezoeker uit Nederland. Je mag hier vaak een speld in een wereldkaart zetten om aan te geven waar je vandaan komt. Ze lopen mee om te zien waar Den Helder ligt, inclusief een andere bezoeker. Helaas is Nederland ongeveer 3cm, er zijn al zoveel Nederlanders, Belgen of Duitsers geweest dat Noord-Holland niet is terug te vinden, dus ik woon nu op de Doggersbank.

We rijden door de stad, krijgen uitleg over het ontstaan, zien de cattlefeeders en het fort. We zien het eerste hotel/restaurant, Harvey, dat de treinreizigers een maaltijd bezorgde, en beroemd was om zijn goede personeel, de Harvey girls; allemaal meisjes met goede manieren tussen de 18 en 30. Harvey wist goed in te spelen op het ontluikende toerisme, zijn restaurants zag ik ook elders, zoals bij de Grand Canyon. Op het staton ook twee zonnewijzers, opgebouwd met grindstenen. Central time en Mountain time, de 100ste meridiaan loopt door Dodge, en daarmee ook dat tijdsverschil. Nu ligt dat tijdsverschil honderd mijl westelijk.

Het fort, dat eigenlijk meer een verzameling barakken en gebouwen is, heeft geen omheining. Custer kwam er ooit langs, nu wonen er veteranen. Na ruim twee maanden rondreizen hier kom ik nu op het niveau dat ik puzzelstukjes aan elkaar kan leggen. De trails krijgen een gezicht, ik volg nu zo’n beetje de Santa Fe trail. Dodge City is emblematisch voor dit stuk van de VS.  Zoals ik gisteren al schreef, eerst de indianen, dan de rest. Dodge ligt aan de Arkansas rivier. Santa Fe was de noordelijkste stad daarvoor vandaar die trail. Op de heuvel ergens in een woonwijk zijn nog wagensporen te zien onder het gras. Verder wemelde het op de vlaktes hier van de bizons, wat jagers aantrok. Om die huiden naar de oost te krijgen kwam de trein, de huiden lagen al bij duizenden te wachten toen het spoor eindelijk zo ver was. Dat station werd ook gebruikt voor het vee dat vanuit Texas aan kwam lopen, met al die cowboys.

Eigenlijk doet de stad nog steeds hetzelfde als toen, niet het wat maar het hoe is veranderd. Ook nu nog zijn hier bedrijven die vee mesten tot slachtgewicht. Nu gaat dat via chips in de oormerken zo wetenschappelijk, dat men per afzetmarkt kan bepalen hoe de biefstuk er uit komt te zien.

Dodge ondertussen leed nogal onder al die aankomende cowboys die hun loon in een keer kregen uitbetaald, en vaak omzetten in drank en vrouwen.  Burgemeester Hoover, later nog President (die van de dam ja) was al die wanorde zat. Hij liet Wyatt Earp komen, die orde op zaken stelde en tegelijk met zijn vriend Doc Holliday, de cowboys via gokken weer van hun geld af hielp.

Boot Hill dankt zijn naam aan de dronken droppies die neergeschoten werden na een caféruzie of iets dergelijks en geen geld hadden voor een behoorlijke begrafenis bij Fort Dodge, zoals de nette mensen. Ze werden met hun laarzenn nog aan, of als kussen onder het hoofd, in een ondiep graf gelegd.

Na de rondrit loop ik nog langs de historische gebouwen en beelden in het stadje, volg een stukje de Walk of Fame, met veel gunsmoke-acteurs. Dan nog even wat drinken, een kaartje bezorgen bij het stadhuis, omdat ik geen brievenbus kan vinden. Dodge City heeft veel wind, ze zeggen hier meer dan in Chicago. Dus bouwt men hier windmolenparken, in Garden City zie ik een overslag terrein, want ook Lamar krijgt zo’n park.

Als ik over de High Plains rijd, met de graanprijzen soms op de radio, of een urenlang verslag van een baseballwedstrijd ergens, probeer ik me voor te stellen hoe het geweest is, die lege vlakte gevuld met manshoge golvende grassen in de wind hier, als de zee. Af en toe krijg ik een stukje te zien, maar niet de immense weidse verten van toen.

In Lamar wil ik naar het Colorado Welcome Center. Het plaatsje doemt al van ver op aan de horizon, de hoge silo als herkenningspunt. De kathedralen van de high plains, blikkerend in de zon. Met de aardige vrijwilligster van het centrum stippel ik uit wat er nog haalbaar is in de dagen die mij hier resten. Daarna drinken we gezellig thee en hebben het over ratelslangen, die komen hier nogal voor. Zomers heb je er minder last van gelukkig.

Dan rijd ik naar het John Martin Reservoir Statepark voor twee nachten aan het water, en met achter mij een voorbijgaande onweersbui parkeer ik Monster onder de bomen.

Monster was vandaag jarig, hij heeft nu meer dan 10.000 mijl met mij gereden door dit prachtige land. Geen wonder dat er stukjes afvallen, met al dat gerammel. Om het te vieren is er thee en chocola, terwijl de cicades en de vogels hun avondliedje zingen in diezelfde hoge bomen.

Maar alle steekvliegen en muggen zitten aan tafel bij die Hollandse. Vanavond eten ze uit.

NBU 83, Off to see the Wizard

IMG_1145

Mais, mais en mais, dat staat ook hier op de velden. Het graan, hoor ik op de radio, is al grotendeels geoogst, de balen zie ik als bewijs overal. Als u denkt, waar blijft dat allemaal? Dat blijft in bijna alles wat u koopt in een pakje, zakje, doosje of blikje. Niet nodig, maar wel handig om de wereldmarktleider in mais een boost te geven, wat dus goed gelukt is.

Die mais moet over- en opgeslagen, dus zeer grote silo’s domineren het landschap, vooral waar de trein kan komen. Ze zijn enorm. Ik kies voor de bijweg vandaag, om dichtbij het land te komen, dan rijd je door de dorpjes en steden heen.

Eind van de ochtend ben ik in Wamego waar het Oz Museum is, met het levensverhaal van de schrijver Frank Baum, die heel veel boeken over Oz schreef. Met allerlei parafernalia, documentaires, boeken en souvenirs. Als je wil, kun je de hele film hier in een klein zaaltje zien. Ik zie net de laatste scene en ben weer helemaal maal bij. Mijn favoriete film van vroeger. Nu zitten die liedjes waarschijnlijk de rest van de dag in mijn hoofd. Dat is een prima tegenwicht voor de cowboy- of gospelmuziek en preken op de radio in deze lege staten, of de foxzender met zijn Trump reclame.

Na het museum lunchen bij de Friendly Cookers, die alles zelf maken. Wifi is er niet en dat is terug te zien aan het publiek, dat hier gewoon wat wil eten en verder geen gezeur. Er is een hittegolf aangekondigd, vanaf vandaag stijgt de temperatuur, tot en met zaterdag wordt het hoog in de dertig graden, hier rond de 100F. Daar hebben ze het met elkaar over, en wat dat betekent voor het werk.

Dodge City is de verwachte eindbestemming, dat wordt even doorbijten. Door een Plains State weer. Volgens sommigen zijn dit de fly over states, red neck country, de bible belt, Trumpkiezers.

Maar ook zijn deze staten het hart van dit land, met zijn restanten tall grass prairies. Ooit liepen hier de indianen en de buffels. Toen kwamen de Spanjaarden en de Franse trappers, en daarmee de paarden en geweren. Daarna de homesteaders, de immigranten, de goudzoekers, de cowboys en hun grote kuddes, de trein. De bizons werden in een paar jaar afgeslacht, zodat ze aan de oostkust in bontjassen konden lopen. De 600 soorten prairiegrassen maakten plaats voor huizen en oogsten, hier komt het graan van de natie vandaan. Zonder dit grote gebied, deze lege staten vol pioniers en doorzetters die droogte, overstroming, vuur en ellende doorstonden, is dit land niet te begrijpen. Hoe langer je ergens bent, hoe beter je het gaat zien, ook als het niet in eerste instantie jaw-dropping is. Ook als het in eerste instantie lijkt op wat je al kent. Maar rijd eens 3000 kilometer langs mais en graanvelden, langs silo’s en vleeskoeien en eenzame boerderijen. Langs eindeloze ruimte met brandende zon en stofduivels.

Vlak voor Dodge City tank ik weer vol, gelukkig staat er naast het kleine benzinestation een enorme silo, blinkend in de avondzon. Het doordringende gedreun zal in het hele stadje te horen zijn en bij het leven horen, zoals de houten palen met elektriciteitsdraden hier het landschap zijn ritme geven en de wind alom aanwezig is.

NBU 82, Kansas City here I come

IMG_1095

Het weer is net zo bedekt als mijn stemming, nu ik weer afscheid nam van een goede vriend. Je wet nooit hoe lang het duurt voor je elkaar weer ziet. Als ik de stad uit rijd passeer ik een groep wapiti’s die in de vijver staan af te koelen. Ze horen bij de boerderij van Ulysses S. Grant, verderop zie ik dat de bizons en geiten gevoerd worden.

Het landschap is zoals al een paar staten, veel bomen, heuvelachtig. Ik passeer de State Capital, Jefferson, maar ik wil toch echt kilometers maken. Dus pas in Kansas City, nog aan deze kant van de rivier, parkeer ik Monster. Vlak bij het WW1 Museum en het Union Station op mijn lijstje. De wachters bij het museum, dat tevens het Nationaal Monument is, zijn gevleugelde leeuwen; die van de herinnering kijkt naar het oosten, terug naar de oorlog, de ogen met vleugels bedekt om de verschrikkingen niet weer te hoeven zien. Die van de toekomst kijkt naar het westen, weg van de oorlog, de ogen bedekt omdat we de toekomst niet kunnen zien. We zijn blind. De hoge toren laat me heel Kansas City overzien.

Ook het Union Station (“groter dan Central Station in New York“ is de aanbeveling) is een bezoekje waard. Veel meer is er op deze late maandagmiddag ook niet. De stad is bekend om zijn Jazz, maar alles is nu dicht.

Dan loop ik terug naar Monster, die naast een park geparkeerd staat. Ik zie een bord dat verwijst naar een beeldengroep waarvan ik de schetsen en modellen in Cody zag, Pioneer Mother, en naast die plek wordt gesport. Ik kijk een uurtje naar de Maandagavond Softball League, gemengde teams van vrienden of collega’s spelen hier de hele zomer. Relaxed, bud light erbij na afloop. Men is licht verbaasd een vreemde aan te treffen, deze wedstrijden trekken geen publiek. Maar de avond is mooi, de krekels krekelen dat het een aard heeft.

Als ik dan ook nog op weg naar mijn slaapplek een Half Price Book store vind, met precies wat ik zoek in huis, is de dag compleet.

Morgen volg ik de Yellow Brick Road naar Wamego.

NBU 81, Forest Park

IMG_1023

Wat doen ze in St. Louis op Zondag? Mijn gastheer gaat aan het werk. Ik doe een dagje park. Nu zult u denken: park? Eendjes voeren? Forest Park is weliswaar de tuin van St Louis, maar het is niet helemaal het stadsparkje zoals we dat vaak zien.

Om te beginnen is het groter dan het Central Park. Een paar jaar geleden is het nog eens gerenoveerd, nadat het in 1904 al de Worldfair en de OS had gehuisvest. Er stonden voor die fair al musea. Nu zijn dat er een stuk of drie plus een theater, een botanische tuin, een dierentuin, een observatorium, een heel grote bootvijver, tennis- golf- en cricketvelden en dan nog wat paviljoens. Een busdienst met een aantal routes onderhoudt de verbindingen, of je huurt een fiets, of een bootje. Op zondag is de bus gratis, de musea en de dierentuin zijn dat altijd.

Ik ben vroeg, maar de zon brandt al in mijn nek. Gelukkig is het in het historisch museum koel. Het geeft een mooi beeld van de geschiedenis van de stad, die hier zeer verbonden is met de geschiedenis van het land. Zo ligt de basis van de burgeroorlog in een rechtszaak over slavernij die hier begon, de Dred Scott decision.  Er is een expo over Lindbergh en zijn vrouw, een kopie van de Spirit of St. Louis hangt hoog in het gebouw. Er is immigrantenkunst, een kinderafdeling, mode die het verleden citeert. Het is allesbehalve oud en stoffig.

Via het grote basin steek ik over naar het kunstmuseum, als ik links van mij een harde klap tegen een boom hoor en iets zie vallen. Een golfbal. Ik breng hem terug naar de wat ongelukkige eigenaar en geef hem advies zijn swing aan te passen.

Ik ben een week te vroeg in het kunstmuseum om de grote Gaugain-expositie mee te maken, maar de collectie is van hoge kwaliteit. Een grote hoeveelheid Max Beckmanm, men zegt de grootste ter wereld, wat te maken heeft met het feit dat de schilder hier zijn laatste de jaren doorbracht en verzamelaars hier bleven kopen na zijn dood. Daarmee komen dan gelijk ook veel andere werken uit die periode en stroming in zo’n collectie terecht.

Als het tegen sluitingstijd loopt ga ik naar het boothuis, waar de mensen op het terras zitten terwijl de band een behoorlijke blues speelt en de schildpadden lui in het water hangen. Een prima plek om de zondag af te sluiten. Thuis wat zaken regelen nu ik nog snel internet heb, spullen verzamelen en nog een avond samen met mijn gastheer. Het restant van mijn reisdagen is bijna op de vingers van twee handen te tellen.

Hoe ver kom ik nog?

NBU 80, De stad in

IMG_0920

Lekker bedje, warme douche, ontbijtje met scrambled eggs, een goed begin van een zaterdag. Eerst met de honden een blokje om, de tuin moet water krijgen. Dan gaan we op avontuur. De botanische tuinen hier zijn de moeite waard, we gaan onze neus achterna en zien niet alleen een prachtig park met allerlei zones, maar ook mooie glaskunst van Chihuly. Ik zag hem in Groningen dit voorjaar en wilde naar zijn atelier in Seattle, maar nu is hij hier ook te zien (en in een casino in Las Vegas).

Rustig gesnuffeld tussen de plaatselijke bevolking die hier zaterdag gratis in mag. Daarna door wijken met mooie oude huizen gereden, de meesten van rond de eeuwwisseling. Ze werden gebouwd als verblijf voor hoge gasten die naar de Wereldtentoonstelling kwamen of naar de derde moderne Olympische spelen in 1904. Missouri was toen honderd jaar een Amerikaanse staat, verkocht door de Fransen als onderdeel van de Louisiana Purchase. Toen pas kreeg de VS ongeveer de omvang die het nu heeft. Rijdend door een van de mooie lanen met oude bomen een bordje: yardsale! Even binnen kijken in het huis, zien of er wat te halen is. Er zijn al wat verkoopdagen geweest dus al het echt mooie is denk ik weg. De man des huizes verzamelde gereedschap, er waren 1000 hamers. Nu nog een paar honderd. Mijn gastheer scoort een over het hoofd geziene hanging basket voor een schijntje en een buitenstandaard. Zijn tuin krijgt veel aandacht. In mei bloeien er Hollandse tulpen.

Dan naar de Basiliek, die er honderd jaar of zo over deed voor hij af was, alles gemozaïekt in Byzantijnse techniek maar met de tekenstijl van honderd jaar geleden. Alles goud wat er blinkt. St. Louis was Frans en katholiek, nog steeds is de kerk zeer aanwezig.

Daarna gaan we even kijken of ik morgen, als mijn gastheer werkt, een RV in het plaatselijke park kan parkeren, waar veel musea zitten. Dat moet eigenlijk wel lukken. De warmte en de drukke week achter ons maakt ons allebei moe, dus zullen we vanavond chillen met een oude film en een gezonde fruitsalade. Heerlijk. De wijk waar ik nu ben werd aanvankelijk veel door Nederlanders bewoond, en heeft nu de bijnaam the Scrubby Dutch.

Want die Nederlandse huisvrouwen schrobden ook hier hun stoepjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

NBU 79, Meet me in St. Louis

IMG_0887.jpeg

Hannibal is ‘s avonds leuk, Hannibal is ’s morgens leuk. Ik parkeer Monster met gemak en vind dan een zeer uitnodigend koffietentje, waar mensen met elkaar de dag beginnen, op het terras of binnen. Niet gelikt, weg gezellig. Daar maar een halve liter thee eerst. Ik vraag een inwoonster hoe het is hier wonen, waar alles zo in het teken van Twain en de toeristen staat. Het valt wel mee, vindt ze, je went er aan. Veel gekke antiekwinkeltjes hier, blijkt als ik de al warme hoofdstraat door loop naar het Mark Twain museum. Uitleg en shop, een expositie over het werk van Rockwell dat hij maakte voor Twains boeken, en met het daar gekochte kaartje naar de verzameling huisjes waar Mark als de jongen Samuel met zijn grote verarmende familie woonde. De figuren uit zijn beste, bekendste boek hebben allemaal in de buurt gewoond en hun huizen zijn hier ook te vinden. Gerestaureerd uiteraard, maar met genoeg authentieks om van te genieten, en de uitspraken van Twain zijn op zich al een genot om overal tegen te komen. Pas na een heel leven vol avontuur en schrijven, toen hij na lange afwezigheid de hele Mississippi afreisde en na lange afwezigheid zijn boyhood hometown weer bezocht, vielen de stukken voor zijn grote roman op hun plek, en wist hij bijvoorbeeld hoe hij de slavernij moest plaatsen. Zijn familie had in rijkere dagen zeven slaven, toen die allemaal verkocht waren voor het geld, huurden ze die van anderen. Hannibal viert dit jaar zijn tweehonderdjarig bestaan, het is ook zichtbaar een oudere plaats, met die bakstenen huizen. Een plek waar je best een paar dagen kunt rondhangen en doen of je er thuis bent, maar ik heb een afspraak in St. Louis. Iets na elf uur stap ik in Monster en na twee uur rijd ik een straat in St. Louis binnen waar de Nederlandse vlag voor me uithangt en de buurman naar buiten komt om me welkom te heten.

Ik haal de sleutel van zijn geheime plek, groet de honden die mij vriendelijk verwelkomen, stop de was in de machine, zet thee en maak een boterham. Dan komt de gastheer uit zijn werk, die ik jaren geleden voor het laatst zag.

Kom er eens om, zoveel gastvrijheid.

NBU 78, Hannibal

IMG_0841Niet geslapen natuurlijk, terwijl ik wel moe ben. Om zeven uur sta ik in het kantoortje van de garage, die om acht uur open gaat voor klanten. Ze kijken er even naar, geen gebrokenriem, oliepeil goed, zij kunnen me niet verder helpen, te vol en niet de spullen. Wel een nummer van een truckgarage die belooft te komen. Als het alleen de stuurbekrachtiging is, halen ze hem zo, sterke mannen. Dat duurt tot na tienen, ook hier staat alles vol. De monteur stapt in, rijdt weg en Monster doet of er niets aan de hand is, stuurt als een jonkie.

Dat is lastig zoeken, als de storing zich niet voor doet. De readout geeft ook helemaal niets waar ze wat mee kunnen. Hij gaat een proefritje doen,  als er dan niets te vinden is, ben ik “good to go”. Ik vind van niet, want als iets zomaar gebeurt, kan het zomaar weer gebeuren, dat is niet erg vertrouwenwekkend met alle bochten en bergen hier. Hopelijk vindt hij toch iets wat er fout zit of zat. Het is raadselachtig.

Tot de monteur terugkomt, met een nauwelijks onderdrukte lach om de lippen.

En lees nu even terug wat ik gisteren schreef. ‘You said you were low on gas?’ Inderdaad, dat was het dus, net even te lang gewacht met tanken. Hij reed rond, kreeg twee keer een uitval en wat benzine verhielp het euvel. Toen ik afsloeg moest ik steil naar beneden en kreeg de motor geen benzine meer. Dat valt dus weer mee, ondanks de rekening en de verloren nacht. Maar wel weer wat beleefd natuurlijk. Helaas geeft deze auto geen waarschuwing als je benzine opraakt. Ik weet nu dat er 50 gallon in Monster kan. Veilig verder.

Door een keurig aangeharkt landschap. Galena blijkt een mooi oud centrum te hebben, met bakstenen huizen en kerken. De geboorteplaats van Ulysses Grant, 18depresident onder andere. Iets om trots op te zijn.

Sommige plaatsen hier maaien al het gras, ook dat om de maisvelden. Keurig ziet het er uit, verzorgd. Als ik over een laatste bluff rijd heb ik uitzicht naar beide kanten. In Fulton, een van de vele plaatsjes waar ik door rijd, zie ik een bordje: Dutch windmill and heritage center. Iets om voor om te rijden natuurlijk. Ik bezoek de in Nederland in 2009 gebouwde molen en het centrum, begroet iedereen met een vrolijk goedemiddag, dat op geen enkele Nederlandse reactie kan rekenen, zelfs niet als de achternaam van de gastvrouw Van Zuiden is. Dertig procent van de inwoners hier is van Nederlandse afkomst, midden negentiende eeuw uit pure armoede vertrokken uit Friesland en Groningen. Het waren voornamelijk meubelmakers en andere timmerlui, Fulton had door die rivier een grote aanvoer van hout. De pie die ik eet in Mainstreet smaakt verdacht veel naar speculaas, vorige week hadden ze banketstaaf. Het antiekwinkeltje heeft Ot en Sien kop-en-schoteltjes staan, en grappige antimakassars.

Voor verzekeringen moet je bij Huizinga & Wieringa zijn, en Vermeer verkoopt al generaties lang landbouwmachines die ze zelf maken. Het ziet er allemaal rijk uit, zeker als je wat van de hoofdweg afraakt. Maar er zijn hier particuliere fondsen die via de radio melden dat je bij hen kunt aankloppen als jij of een van je vrienden zijn elektriciteits- of doktersrekening niet kan betalen. In September is er Farm Aid, dit jaar in Wisconsin. Ook daar worden fondsen geworven voor mensen die alles kwijtraakten, door het natte voorjaar. De mais staat nog niet hoog genoeg, maar een mooi najaar kan nog veel goed maken.

Ik snijd vanwege de verloren tijd een stuk af en rijd over stille snelwegen nog een keer de Mississippi over. Iets na acht uur rijd ik door Hannibal, waar S.J. Clemens, jawel, van Angels Camp, als jongen woonde. Er staan stoeltjes op straat, het ziet er gezellig uit, ik parkeer en neem een kijkje. Neus in de boter: iedere donderdag een live band, deze is uitstekend en rockt de pan uit. Ik kijk het even aan, maar geef dan mijn rugzak in bewaring en onder het motto: ze kennen me hier toch niet, dans ik onder het licht van de halve maan de sterren aan de hemel. Er gaat een trein voorbij met zijn onmiskenbare geluid, op de rivier vaart een van de vijftienbaks duwcombinaties die ik aan de kant zag liggen toen ik overstak. Ik loop met de muziek van Catfish Willie’s Band in de rug de straat af naar de rivier, over het spoor. Links de brug die ik overging, met daarachter een rode avondhemel. Voor mij de stroming van de Mighty Mississippi. Veel dichterbij kom je niet.

Als gisteren alles had meegezeten, was ik hier al weg geweest en had ik deze avond niet meebeleefd.

NBU 77, Hairy Scary

 

IMG_0714

Een tankstation in Galena, Illinois, met een general store. Een mooie plek om vol te gooien voor ik ga zoeken naar een nachtplek. Terwijl ik rechtsaf sla, iets naar beneden om het terrein op te rijden, voel ik dat Monster niet meer goed stuurt. Ik haal de bocht maar net, en de bocht die er net op komt ook met grote moeite. Daarna stop het. Ik sta nog net niet iedereen in de weg. Geen oliedruk zo lijkt het, maar Joost mag weten hoe of waarom. Geen enkele indicatie gehad, ik kijk regelmatig naar oliesignaal en tempratuur van de motor, en nu vanwege het tanken keek ik zeker nog iets vaker. Maar dit kwam toch wel heel plotseling opzetten. Maar goed, als het dan toch gebeurt, liever vlak bij dit benzinestation dan op een pas in de Sierra Nevada of een bergweggetje op 9000 voet in Yellowstone.

Mijn vrienden van de AAA maar even gebeld, wat een wat moeizamer gesprek wordt dan anders. Waar ik heen wil? Ze kunnen geen RV repairshop vinden. Ik vind dat ik gewoon een Fordgarage, of welke garage dan ook maar al goed zou vinden. Binnen weten ze er wel een.  Nu dus wachten op een towtruck. AAA repareert niet zelf, anders dan bij ons de ANWB, die veel met eigen mensen afhandelt. Als het maar gemaakt kan worden. Ik was al van plan in St. Louis een garage te bezoeken om wat andere zaken te bekijken die wel gedaan moeten worden, maar dit komt eerst.

St. Louis is zonder stoppen een dag verderop, maar ik was van plan nog het geboortehuis van Mark Twain te bezoeken, hier aan Great River Road. Een route die door 10 staten loopt en de Mighty Mississippi, Old man River, volgt. Ik ben hem vandaag al een paar keer overgestoken. Begonnen in Minnesota vanochtend, toen Wisconsin, daarna Iowa en nu in Illinois. Lincoln’s State. Ze lijken vanaf de rivier gezien op elkaar met daarachter landbouwgrond met die mooie schuren. Op de grafstenen van de kleine plaatsjes staan veel Duitse namen, in Le Crosse en Prairie le Chien veel Frans en Scandinavisch. In Prairie le Chien bezoek ik de Louis Villa. Ik verwacht een klein huis, maar het is een landgoed op de plek waar eens forten stonden. Die forten werden gebouwd vanwege de oorlog van 1812. U weet wel, die oorlog waarvan Trump onlangs vertelde dat de luchtmacht toen zulk mooi werk had verricht. Een oorlog die nogal gecompliceerd in elkaar zat, waarin de Indianen meevochten aan beide kanten en die tot niets leidde verder. Ja, het verdrag van Gent, zoek maar na, ik heb geen idee.

Het landgoed werd begonnen met een eerste bakstenen gebouw in 1843. In een tijd dat de eerste settlers dachten over vertrekken naar het Westen, werd hier iets groots gebouwd, en in de periode waarin het nu is teruggebracht, rond de eeuwwisseling, doet het denken aan Upstairs downstairs, of Downton Abbey. Niet zo groot, maar wel die periode, en met personeel uiteraard. Het is bizar, na al die rauwe natuur en dat cowboy geweld van de afgelopen weken, en ook de homesteaders nederzettingen van over de rivier, deze verfijning hier nu aan te treffen.  Terwijl er naar het Westen werd uitgebreid, had men aan de oostkust natuurlijk gewoon alle gemakken van de moderne tijd. Deze familie kwam hier vanwege handel in land, dat op grote schaal van de Indianen werd gekocht. Daarna kwam er veeteelt en bonthandel bij, en deed men ook wat met paarden. Zo werd de stichter een van de eerste miljonairs van Wisconsin. Het geeft het plaatje van dit land detail.

Ik merk dat ik de afwisseling erg kan waarderen. Soms dagen alleen natuur, dan weer eens een druk stadje of toeristengedoe, een beetje geschiedenis en als het kan kunst, al is dat tot nu toe na Houston niet echt groots meer geweest. Het is er wel, maar ik sla de grote steden over die collecties hebben. Komt nog wel een keer, hoop ik, als Monster mij niet in de steek laat of ik failliet ga voor ik met pensioen ben.

Ik houd u op de hoogte. Morgen weten we meer.