Je zult hier maar wonen in Dahab, naast de Golf van Aqaba. In de woestijn geen druppel, op wat bronnen en oases na, in de zee zeer zout water. De oorspronkelijke bewoners waren meesters in het hier overleven. Ze leefden van de visvangst, hielden hier en daar wat schapen of geiten, hadden fruit uit de oases, dadels uit de dadelpalmen en reden op kamelen.
Maar dat was vroeger, toen Dahab een klein gehucht was. Nu komt er in dit inmiddels kleine stadje met een paar duizend inwoners jaarlijks een invasie van toeristen. Die willen niet alleen zwemmen in de zee, maar ook in een helder zoet zwembad. Ze willen douchen in zoet water, hun handdoeken moeten dagelijks gewassen in zoet water, ze willen veilig drinkwater. En ze willen allemaal eten.
Dat eten komt dus van ver, wellicht dat er wat vis uit de buurt komt. Dat water maken sommige hotels zelf, op dat in de plastic flessen voor het drinkwater na.
Ook in Egypte heeft men oog voor milieu en duurzaamheid. Niet zoveel als we willen of als nodig is, maar daarin doen ze niet onder voor ons in Nederland en de rest van Europa, waar we veel meer mogelijkheden hebben, economisch, om er echt wat aan te doen. Maar ook hier worden pogingen ondernomen groen te gaan. Zonnepanelen op de daken van het Ecohotel, de vraag zo min mogelijk kleine flesjes te gebruiken, maar je eigen fles te vullen uit de grote container op het duikcentrum
Wellicht de meest nuttige boodschap die ik zag:
De oproep om je bord niet zo vol te scheppen dat je niet alles op zult kunnen eten. Alles wat op dat bord overblijft, wordt vernietigd. Wat overblijft op de buffetten gaat naar mensen in de gemeenschap die het goed kunnen gebruiken. Een win-win-situatie. Met de overdadig volle buffetten hier, met iedere denkbare soort eten, westers, oosters, glutenvrij, groenvoer, volop vlees, hoop ik van harte dat die boodschap door velen gehoord en nagevolgd wordt.
Maar zelf kon ik dus de kipsandwich niet op vanmiddag. Laat u niets wijsmaken, het had veel van een dubbele pizza.
Dat was dus tussen twee duiken in, op lage kussens onder een afdak aan het water. Met daarbij voor mij een potje bedoeïenen thee met suiker, en een Franse koffie (Turks met melk) voor mijn uitstekende duikgids Loeay. En een blikje cola voor het zoontje van chauffeur Sallaa, Hamed, die een dagje met pappa mee was.
Lekker lange luie duiken, waarbij ik op de eerste duik een zebramurene vond. Die zie je hier niet veel. Dat maakt zo’n duik alweer meer dan de moeite, maar de jonge zwart-witte snappers, de blauwgespikkelde rog, de jonge schorpioenvis, en iets eerder een ouder exemplaar. De luie puffer, de groene papegaaivis. Alleemaal weer heerlijk om te zien, in dat landschap van blokken koraal in het zand.
Sinds ik hier voor het eerst op vakantie was, in 2004, is er veel veranderd in toerisme, in het algemeen, in de situatie in de wereld en in dit land. Dat alles heeft zijn weerslag op de toerisme-industrie. Er zijn jaren geweest dat het vrijwel stil lag en hele steden uitgestorven leken hier aan de kust.
Waar de hotels in dit gebied met vier of vijf sterren voornamelijk bewoond werden door West-Europeanen zo rond de eeuwwisseling, ziet dat er nu heel anders uit. De val van de muur en de groeiende welvaart bracht de Russen, die zie je op dit moment veel minder, maar de borden in het Russisch staan er nog. Ik reed vanmiddag langs een hotel waar o.a. een Europese vlag hing, links daarvan een Oekraïense vlag, en rechts ervan een Russische. Op zijn kop, je kunt je licht vergissen. Nu zitten hier, zover ik dat kan zien, vooral mensen uit de regio. Egyptenaren, die met de auto uit Cairo zijn komen rijden, Israëliërs, geen idee of die rijden of vliegen. Saoedies, die vliegen. Nog wel wat Midden-Europeanen hier en daar, maar ik hoor in dit hotel geen enkele Nederlander, Engelsman of Duitser. Hetzelfde beeld in andere hotels, als ik mijn divebuddies mag geloven. Ook in het duikcentrum herkennen ze dat beeld. Vroeger veel Hollanders, nu missen ze ze.
Wat heel grappig was (onder het kopje, de wereld is een dorp): ik ontmoette een man die bevriend was met iemand die een boot heeft liggen in Aqaba. Dezelfde boot, de Harmattan, waarop ik eens, in 2010 wat dagen mee mocht om te duiken. Goede herinneringen aan. Zijn vriend belde hem op, en de arme man was stomverbaasd en heel eerlijk toen hij mij op facetime kreeg. Dus hij had geen idee wie ik was. Maar ik wel wie hij was.
Maar wat er niet veranderd is: de toetjesbuffetten. Er komt geen eind aan. En ook niet aan het saladebuffet, de broodbar, de lange rij met groente en tajines, de grill in de tuin.
En ik zou het niet al te veel over duiken hebben. Dus ik bespaar u de twee heerlijke langzame diepe duiken op Blue Hole en Canyons, vrij, rustig, met veel vis, en veel zen. Mijn buddy had 900 duiken, veel in droogpak in de UK.
Ik zeg hier dus ook niets over de poetsvis die je tanden komt schoonmaken als je je regulator uit de mond neemt. Ik laat de foto aan mijn tandarts zien. En toen ik doorzwom beet hij me drie keer in mijn lip, boos dat ik hem niet binnenliet zeker.
En ik zal u ook niet vermoeien met die grote troep koraalduivels die hier rond een blok cirkelden, omgeven door oranje vlagbaarsjes, onder prachtig zonlicht op een meter of tien. Of dat schattige kleine rood met witte stippen-zeesterretje. U weet niet wat u mist.
Op de foto: de helft van de toetjes, het fruitbuffet staat daar dan weer naast.
Ik kan u hier moeilijk weer gaan vervelen met sterke verhalen over lange duiken en mooie vissen. Dus ik zeg hier vandaag niets over de alen bij eel garden, niets over die prachtige naaktslak, niks over de grote grouper, de twee napoleonvissen, het slingeren door the Maze en de schildpadden die zich allemaal verstopt hebben. Wat ik wel kan zeggen is dat ik inmiddels al aardig gevloerd ben. Lange duiken, korte nachten, stroom tegen, hoge temperaturen en een oud vrouwtje: moe maar gelukkig.
Maar vanmorgen was ik nog fris en fruitig. Heel vroeg wakker, dus vroeg aan het ontbijt (waarover later meer). Na een vers omeletje de wandeling ondernomen van mijn hotelkamer naar het strand, en dan over het strand langs vier hotels voor ik bij het duikcentrum ben. Terwijl ik daar door de aangenaam frisse ochtend over het groene gazon liep zag ik in mijn ooghoeken een vreemde vogel. Gelukkig zat zijn broer nog op het gazon: de hoodhood, ofwel de hop. En er zat dus een hele groep, ik zag ze om de haverklap opvliegen. Uiteraard had ik de palmduifjes al gezien en vooral gehoord, voor mij echt een geluid uit het Midden-Oosten, dat me terug doet denken aan Irak. Nauw verwant aan de Turkse tortel, maar wat roden/bruiner, en met een net even ander riedeltje. Verder zitten hier veel bonte kraaien. En een mussensoort met opvallend lange nekken. Ook zag ik een zeer elegant soort steltvogel. Hoge poten, klein lijfje. Wit bovenlijf, grijs/zwarte onderlijf. Iemand die weet wat het is?
Ik zag één vlinder, wat nog een wonder is omdat hier altijd flink gesproeid wordt, zoals ook vanmorgen. Dat houdt heel wat insecten weg. Behalve die ene kleine vlieg die mij gezelschap hield toen ik het internet wilde gebruiken vanmorgen vroeg, terwijl de meeste gasten nog offline waren. O ja, en die ene mug, die heeft het ook overleefd.
Als we koud, nat en akelig niet meerekenen, was vandaag de eerste duikdag in warm tropisch blauw en zeer zout water sinds 2018. Ik had me op alles voorbereid, maar het was of ik nooit weg was geweest.
Een enthousiaste jonge divemaster, die de tijd nam voor zijn duikvoorbereiding, alle oefeningen langsging en zeer duidelijk alles uitlegde. Daarna te water halverwege de ochtend, op het huisrif. Alle oefeningen als een eitje, behalve het overnemen van zijn second stage. Ik heb lang niet zo’n grote mond als iedereen denkt, dus dat was nog proppen daar onderwater. En dan niet in de lach schieten.
Daarna een zeer relaxte duik, waarin alle oude vriendjes voorbijkwamen, groot en klein. Zelfs een hammerhead en babyolifant ontbraken niet. Men is zeer creatief geweest met het aanleggen van wat kunstmatige rifjes in de lagune. De buoancy was prima, het luchtgebruik was boven verwachting goed. Na ruim 80 minuten en met nog 100 bar in de fles kwamen we allebei boven. Het is dat de duikgids in zijn rashguard het fris kreeg, anders waren we daar nu nog. Onderwijl ging mij het Beatlesliedje door het hoofd: I’d like to be, under the Sea, in an Octopusses Garden in the shade.
Pauze onder het afdakje van de club, en op naar LIghthouse. Waar wij ons midden op straat omkleedden voor onze volgende, nu echte duik, tot 30 meter.
En wat een duik, mensen. Een van de leukste, mooiste, slimste dieren die je tegen kunt komen onderwater is een inktvis, wellicht mijn favoriete onderwaterwezen. Met iedere vorm van inktvis ben ik blij. De grote octopus is de topfavoriet. En als ze dan iets bijzonders doen, zoals jagen, van uiterlijk veranderen, zich afdekken met schelpen om te verdwijnen, dubbel blij.
Dus vanmiddag grensde onze vreugde aan hondsdolheid toen we drie (3!) volwassen octopussen zagen op een koraalbult. Al snel was duidelijk wat er aan de hand was. Er werd hier flink het hof gemaakt, en het tweede mannetje werd verjaagd, die zagen we niet meer terug.
Het winnende mannetje, glad en grijs, in uiterlijk en gedrag, had een arm van het vrouwtje, bruin/wit en stekelig, vast en liet haar niet meer los. Zij stribbelde niet tegen en krulde de andere zeven armen op. Je hoorde hem zeggen: kom, laten we een beetje privé gaan zitten, ik heb hier dichtbij een leuk appartementje. En zij voor de vorm: nou, dat weet ik nog niet hoor, je gaat wel erg snel.
Het was dat we al een tijdje op de vijftig bar zaten en bijna een uur onderwater, en nog een safetystop te goed hadden, anders waren we daar nu nog. Maar dan hadden we de jeugdige torpedoray, twee pyama slugs en de reuzen-schorpioenvis gemist. En dat was dan dag 1.
De troep kinderen die hier in de Sultan bar als onderdeel van het animatieprogramma klappend en zingend voorbij gaat op het liedje babyshark, kan niet blijer zijn dan wij vanmiddag waren. We zouden nu kunnen stoppen met duiken, zo mooi.
Maar dat doen we dus niet. Morgen weer!
(Zonder camera gedoken, dus u moet het doen met de foto van de waterbakken in de Circle club)
De reis is de bestemming, hoor je wel eens. Dat is niet alleen waar, maar ook een goede overlevingsstrategie als je een toch lange dag onderweg bent.
Het vliegtuig was vol. Ik weet niet hoe oud de oudste passagier was, maar de jongste was nog geen vier weken oud, leek mij. Er waren dus heel veel kleine kinderen aan boord, in alle soorten en maten. En de kleine die een rij voor ons zat had ergens last van. Oren, buik, geen idee. Maar die was dus niet gelukkig.
Gelukkig zat ik naast twee heel aardige tienermeiden met gevoel voor humor. Aan de andere kant van het gangpad zat de rest van de familie, het was leuk gezelschap. Mijn eigen mueslibollen smaakten uitstekend. We vlogen niet erg hoog, en de meiden hielden ons op de hoogte van wat ze zagen, en af en toe kwam er een foto door.
Ik had een goede dwarsligger (Musch, Jean-Marc van Tol) en een nieuw Japans puzzelboekje, dus dan mis je de film aan boord niet. In Hurgadah was het 37 graden, we hebben daar even gestaan om passagiers uit en weer in te laden. Af en toe stond de deur even open. Het stukje naar Sharm is dan een korte 20 minuten.
De paspoortcontrole was grondig, voor iedereen die voor mij stond. Geen idee waarom, ik zelf was er zo door. Er was iemand met een bordje met mijn naam erop vóór en er stond er een te wachten na de formaliteiten. Mijn flightbag hoefde niet weer open, hoewel men niets begreep van het scanbeeld. Gelukkig geloofde de controleur mij. Er stond een prima gekoeld busje op mij te wachten, buiten de aankomsthal herkende ik het ook weer, er wordt ook hier voortdurend gebouwd en vernieuwd.
En toen waren daar weer de scherpe rode bergen van de Sinaïwoestijn. Wat was ik blij die weer te zien. Nog steeds de bedoeïenendorpjes overal, sommigen georganiseerd, anderen door de bewoners bij elkaar geraapt. Met 140 km per uur, op de linker rijbaan, de tegenligger op de verkeerde weghelft en de waaghalzerige jongemannen ontwijkend, en remmend in de bochten tot 120 kwamen we in Dahab.
Er werd gebeld, er werden aanwijzingen gevraagd, we moesten naar links, dan zouden we bij mijn hotel komen. Op een soort van weg, tussen wat verlaten hotels in, stond een hotel inderdaad. En hoewel ik mij had voorgenomen op alles voorbereid te zijn en mijn verwachtingen niet te hoog te stellen, vermoedde ik toch dat een gesprek met mijn reisorganisatie nodig zou zijn om iets anders te zoeken waar ik het wel veertien dagen uit zou houden.
Maar dat was dus niet mijn hotel. Ik was blij, mijn begeleiders waren blij. We hadden rechtsaf gemoeten, en niet linksaf. Dus nu zit ik hier in een uitstekend resort. Veel groen, bomen, palmen, een restaurant met een binnen- en een buitengedeelte. Ik heb mijn favoriete buitentafeltje al ontdekt. Uitzicht op de lagune, de bergen rechts, een schitterende vlammende zonsondergang. Lichtjes over de baai. Een strand op steenworp afstand.
En terwijl de wolken hun kleur verliezen en de hemel tot nachtblauw verkleurt kan ik alleen maar denken: wat ben ik blij. Wat ben ik blij.
Het heeft even geduurd, maar eindelijk weer een echte vakantie. Toen ik in 2019 terugkeerde van drie maanden Amerika wist ik zeker dat ik dat het jaar daarna zou herhalen. Inmiddels weten we beter. En tegen de tijd dat Corona ons enigszins losliet en ik plannen ging maken voor een winterduikvakantie, brak ik mijn enkels.
Maar eindelijk na vijf jaar niet duiken (die drie koude proefduiken vorig jaar in Zeeland tellen niet mee!) gaat het er vermoedelijk weer van komen.
Ik ben al een eind opgeschoten. Ik zit nu op vliegveld Eindhoven te wachten op mijn vlucht naar Sharm al Sheikh om vandaar met een busje naar Dahab te rijden. De plek aan de Golf van Aqaba waar mijn duikavontuur ooit begon, 346 duiken geleden.
De drie kilo minder bagage waar ik mee geconfronteerd werd, vertaalde zich in het achterlaten van de kleine camera, mijn geliefde vissenboek, de verpakking van mijn nieuwe duiklamp en een reservemasker. Mijn huis zag er de afgelopen weken uit als een ontplofte BCC, overal snoertjes, laders, batterijen en gedoe.
Evengoed kantje-boord langs de weegschaal en gelukkig wordt mijn rugzakje, dat ik nonchalant over een schouder draag, niet meegewogen.
Eindhoven leek me een lastige reis te worden, die ik per trein zou aangaan. Maar met een lift van mijn lieve buurman naar de trein scheelde het een wandeling naar de bushalte en sjouwen om een en ander erin en weer uit te tillen. De overstap in Utrecht was op hetzelfde perron, de trein had geen vertraging, de bus in Eindhoven was aan de overkant van de straat en had een lage instap, hij stopte tegenover de vertrekhal, en daar bovenop stond mijn hotel. Korter alles bij elkaar dan wanneer je in Schiphol naar de vertrekhal loopt van de ingang.
Wat een gemak.
Na het inchecken bij la Place een versgebakken pizza, op de hotel-tv een oude Lewis, uitzicht op de landingsbaan van het vliegveld en alleen het geluid van slaande deuren op de hotelgang. Hoe doen ze het toch.
Dus niet midden in de nacht slaperig je huis controleren, hopen dat er nergens een file straat en het halve land door, maar boekje-lezend de vakantie aanvangen, je huis verlaten op een moment dat het uit komt. En ’s morgens geef je je sleutelkaart af bij de hotelbalie, loopt naar de overkant van de hal, pakt de lift en sta je voor de incheckbalie. Het was nog rustig.
Nu met een vers kopje thee dit stukje schrijven en als dat af is stort ik me in de rij voor de paspoortcontrole. Vanmiddag in mijn hotel, morgen mijn eerste echte duik sinds jaren.
Om maar met de deur in huis te vallen: ik doe vrijwilligers werk. Al vrij lang. Ooit naast part-time betaalde functies. Dat begon vrijwel direct nadat ik mijn meer dan full-time betaald werk stopte. Waar deed ik dat vrijwilligerswerk? Bijna overal waar ik lid was en ervoor gevraagd werd, zou een leuke samenvatting zijn.
Er waren jaren dat ik in zeven besturen zat, naast een ochtend per week lesgeven en een dag per week presentaties op scholen verzorgen. Nu heb nog maar drie vrijwilligersfuncties. Samen is dat zoveel werk, dat ze soms op elkaar moeten wachten voor ik aan bepaalde klussen toekom. 20 Uur per week is doorsnee, en soms haal ik het dubbele, als er bijvoorbeeld een evenement geregeld moet worden. Dat werk beperkt zich niet tot vergaderen en bewaken, het is breed en houdt van alles in. Soms lig ik er wakker van.
Waarom doe ik dit, geheel zonder vergoeding? Omdat ik dat waar ik me druk om maak de moeite waard vind, terwijl het door de (lokale dan wel nationale) overheid niet wordt gedaan. Het is fijn als dat werk ergens toe leidt, en dat doet het meestal. Veruit het meest vervelende en meest energievretende onderdeel van die vrijwillige klussen: het zoeken naar geld om dingen mogelijk te maken. Het lukt, maar het stopt nooit.
De voldoening haal ik uit de resultaten, als die er zijn. Wat waren voor mij redenen met sommige vrijwillige klussen te stoppen?
Als de sfeer niet goed was. Als het resultaat er niet was. Als betaalde nieuwkomers goedlopende zaken veranderde in stilvallende zaken en daarna de vrijwilligers vroegen mee te denken hoe de zaak weer vlot te trekken, om vervolgens niets te doen met de inbreng. Als mensen denken dat ze personeel hebben, onbetaald, dat ze kunnen koeioneren.
Of een combinatie van deze zaken.
Ik kan stellen dat ik een ervaren vrijwilliger ben, die niet gauw opgeeft. De laatste tijd vallen me wel wat zaken op, hier in mijn stad, waar net een groot evenement heeft plaatsgevonden. Een stad waar we vergeleken met de rest van ons land altijd gezegend waren met heel veel vrijwilligers in een handige leeftijd. Zeg tussen de 50 en 70. Jong gepensioneerden, waar de kinderen en de baan geen tijd meer vraten, de noodzaak tot betaald werk afwezig was, en het vrijwilligerswerk voor het opscheppen lag in alle sectoren.
Niet dat ze stopten met die 70 jaar, ze gaan vaak door tot ze omvallen. Maar met een veranderende maatschappij neemt dat aanbod af. Er wordt langer doorgewerkt. Daarna wil men er op uit, de wereld ligt open. Dan is verkeer regelen tijdens een sportevenement niet meer zo aantrekkelijk. Dan is de kantine bemannen te lastig. Dan is plaatsnemen in een bestuur een verplichting waar niet iedereen op zit te wachten met het huidige snelgroeiende woud aan regelgeving.
Minder aanbod dus, voor al die clubs en stichtingen en verenigingen die de dingen doen die het leven zo aangenaam maken. Het is dus nog meer zaak zuinig te zijn op je vrijwilligers, Ze serieus te nemen en met respect te behandelen. Dus is het voor de overheid zaak ze zo goed mogelijk te accommoderen. (En nee, dat doe je niet door een bank voor je karretje te spannen, of een betaalde fondsenjager wat kruisjes te laten zetten).
Ooit stopte ik met een klus toen die werd vergeven aan een commerciële organisatie, die geld ging verdienen aan mijn onbetaalde vrijwilligerswerk. Ik zie dat die constructie steeds vaker wordt gebruikt, vrijwilligers in dienst van organisaties die (veel) geld krijgen om zaken te organiseren. Kennelijk niet genoeg geld om iedereen te betalen, maar een aantal mensen aan de top houdt er in ieder geval genoeg aan over om zich druk te maken.
Het minste dat je dan kunt doen is je vrijwilligers netjes behandelen, ze het gevoel geven dat ze gewaardeerd worden, rekening houden met hun wensen en mogelijkheden. Niet alleen omdat dat is zoals je altijd met mensen om hoort te gaan, maar ook omdat je wil dat ze die klusjes nog eens voor je klaren in te toekomst.
Mensen dus lang in onzekerheid houden of ze nodig zijn: niet handig. Mensen meer belasten dan redelijkerwijs verwacht mag worden: niet handig. Mensen een vuile of onveilige of ongezellige werkomgeving bieden: niet handig. Mensen steeds laten verkassen van plek omdat anderen kennelijk belangrijker zijn: niet handig. Mensen problemen op laten lossen die jij hebt veroorzaakt als betaalde organisator: niet handig. Je bemoeien met de vrijwilligerstaken omdat je even niets omhanden hebt: niet handig. Mensen uitnodigingen voor vrijwilligerswerk, die in een afhankelijke positie zitten en geen nee durven zeggen: niet handig (en schoftig, maar dit terzijde). Geen rekening houden met aangegeven beperkingen in tijd of fysieke mogelijkheden: niet handig.
Maar wat helemaal niet handig is: zo tegen je vrijwilligers te keer gaan dat ze in tranen uitbarsten en geen enkel initiatief meer durven te tonen daarna. Denk je dat de jonge vrijwilliger die dit gebeurde, terwijl die dacht een paar leuke dagen mee te maken, zich nog eens meldt? Die zou wel gek zijn.
Alle bobo’s van alle organisaties die het afgelopen evenement met elkaar gaan evalueren hoe succesvol het wel was, en zichzelf en elkaar op de schouders kloppen, onder het genot van een drankje, laten die zich eens afvragen: zien we de stille werkers wel genoeg? De mensen die wel mogen bedienen, maar nooit worden bediend? De mensen die wel mogen begeleiden, maar zelf niet worden begeleid. Die welkom mogen heten, maar zelf niet welkom worden geheten?
En kijk dan gelijk even wie je allemaal uitnodigt om onbetaald te genieten van iets waar anderen voor moeten betalen. En nodig daar dan eens de volgende keer vrijwilligers voor uit, in plaats van je collega-bobo’s.